Ik heb nog nooit in zo’n korte tijd zoveel bekende mensen hun excuses zien maken als afgelopen jaar. Het begon in Hollywood, met acteur Mel Gibson die dronken tekeer was gegaan tegen joden. Daarna kwam Mark Foley, de republikeinse congresman, die hijgerige sms’jes had gestuurd naar jonge jongens. Zij werden al snel gevolgd door Michael Richards (Seinfelds ‘Kramer’), die zwarte bezoekers van zijn show the N-word had toegevoegd, politicus John Kerry die een foute grap had gemaakt, paus Benedictus XVI die de moslims had beledigd, en televangelist Ted Haggard die homo bleek te zijn. Allemaal moesten ze op een ‘mea culpa-tour’ langs de media om publiekelijk om vergeving te smeken.

De lawine van spijt werd gekenmerkt door een specifieke lichaamstaal. De ingezakte houding met hangende schouders, borst ingetrokken, hoofd lichtelijk gebogen zodat men van onderuit opkijkt naar de interviewer of camera. De trage stem, de doodernstige blik met lichte frons die aangeeft dat hier niks te lachen valt. Typisch was verder de hand met gespreide vingers op de borst: ‘Ik spreek nu vanuit mijn hart.’ Een traan helpt natuurlijk ook altijd.

De verklaringen liepen uiteen van ‘zo ben ik helemaal niet’ tot ‘ik heb zo’n moeilijke jeugd gehad’. Daar gaf dus niemand een cent voor. Het lichaam verrichtte het echte werk.

Sinds de opkomst van de democratie vertonen wij nog maar weinig echt onderdanig gedrag, het door het stof kruipen en buigen, zoals we dat kennen van lager geplaatste chimpansees die een dominant individu benaderen. Het hele lichaam dicht bij de grond, het hoofd laag, opkijkend naar de dominant die zich juist groot maakt en opricht met de haren overeind.

Bij de mens is dit soort gedrag nog te zien tijdens begroetingen in Japan of tegenover hooggeplaatsten in de katholieke kerk – en bij het kussen van de grond voor God, die super-alfaman. Het dichtst bij onderdanigheid komen we nog tijdens verontschuldigingen, die op te vatten zijn als een tijdelijke submissie. Soms geeft men zichzelf zelfs een klap, letterlijk of figuurlijk: de bekende zelf-flagellatie (‘Wat ben ik toch stom! Ik kan me wel voor m’n kop slaan!’)

Zo ver gaan apen niet, maar ik kan me nog steeds herinneren wat RenMei, een Chinese collega, zei tijdens haar onderzoek aan verzoening bij beermakaken. Dit zijn doorgaans aardige apen, die elkaar na een ruzie al snel weer opzoeken. Daarbij presenteert de ondergeschikte aap zijn achterste ter inspectie, terwijl de dominante aap hem bij de heupen vastpakt. Een ontroerend tafereeltje, waarmee de ruzie meestal is beslecht.

In een klein aantal gevallen zijn de rollen echter omgedraaid: de dominante aap presenteert zijn achterste. Wat is hier aan de hand? RenMei’s uitleg was dat de dominante aap spijt had van de voorgaande ruzie, dat hij er mogelijk te hard tegenaan was gegaan, en zich nu dus verontschuldigde door tijdelijk de ondergeschikte rol te spelen.

Net als beroemdheden en politici dus.[/wpgpremiumcontent]