Wie ben je?

‘Ik ben misschien wel, net als de personages uit mijn boeken, een buitenstaander. Ik hang ergens tussen twee werelden in, maak van geen van beide echt deel uit. Ik voel me niet echt thuis in het zogenaamde “kunstwereldje”, maar natuurlijk ben ik ook niet meer het jongetje uit de Amsterdamse Warmoesstraat. Ook al blijft dat waar je uit voortkomt altijd in je zitten, daar ontkom je niet aan.

Mijn moeder runde een hotel-café en als jongetje zag ik alles wat ik op die leeftijd niet had moeten zien. Er werd iemand bij ons voor de deur doodgeschoten en we hadden een jaar lang een Duitser te gast die naderhand een seriemoordenaar bleek te zijn. Je moest altijd op je hoede zijn in een onbetrouwbare, hysterische omgeving. Je leerde bliksemsnel mensen inschatten, dat móést. In de horeca kijk je en beslis je: die wil dit, die wil dat, deze gaat vervelend worden, dat is iemand die zodra hij drinkt geen controle meer over zichzelf heeft, en die vrouw moet je niet binnen hebben want die gaat sjansen met de man van die andere vrouw. Je bouwt een soort achterdocht op. Daar ben ik later in mijn leven irritant vaak tegenaan gelopen.

Ik wist al vrij jong dat ik geen deel wilde uitmaken van de buurt rond de Warmoesstraat. Wij hoorden daar niet. Oorspronkelijk kwamen wij uit de Staatsliedenbuurt, daar woonden mijn ouders, mijn zus en ik op een bovenetage. Mijn vader had een schoonmaakbedrijf in de haven, mijn moeder was huisvrouw en had bijbaantjes. Ze werkten hard en droomden van een beneden­huis met een tuintje.

Daar ging een streep door toen mijn vader op z’n 34ste plotseling overleed. Een hartstilstand. Ik was acht. Mijn opa nam de vaderrol op zich en mijn oma, die haar hele leven al in de Amsterdamse horeca zat, reageerde ferm: “Hier gaan we dus niet aan onderdoor.” Ze deed iets waarvan ze verstand had: ze kocht een hotel-café aan de Warmoesstraat, zodat mijn moeder voor ons de kost kon gaan verdienen. Die ging ermee akkoord omdat ze geen andere mogelijkheid zag. Toch was ze heel anders dan de mensen daar. Al die lui die aan het drinken en het klooien waren, het werken bij nacht en ontij, al dat hoeren en snoeren, ze vond het niks. Maar ze kon goed de knop omdraaien. Thuis sprak ze nooit over het café, ze beschouwde het als een business die gerund moest worden, en dat was het dan. Haar hart lag daar niet. Het liefst zat ze te lezen op de bank. Als kind kon ze goed leren, maar ze had nooit de kans gekregen om verder te studeren.

Mijn moeder schikte zich in haar lot, maar voor mij bleef ze dromen houden. Ze wilde dat ik ging studeren. Ik was daar helemaal niet zo zeker van, ik voelde me op het gymnasium niet op mijn plek. Ik hield mijn moeder voor dat ik dierenarts wilde worden, dan was ík van het gezeur af en zíj blij. Want een kind uit mijn milieu dat dokter wordt, dat is het summum: hoger kun je niet stijgen.

In werkelijkheid spijbelde ik, soms maanden achter elkaar. Ik was op zoek naar iets zonder dat ik wist waarnaar. Ik zat op dat gymnasium en dacht: Wat kunnen ze mij hier nou nog leren? Het echte leven speelt zich ergens anders af. De Warmoesstraat was zoveel groter en echter dan wat ik op school voorgeschoteld kreeg. Ik had steeds meer het gevoel dat het mij langzaam zou wurgen als ik de school afmaakte en ging studeren. De rector probeerde me nog te houden, waarschuwde dat allerlei deuren voor mij gesloten zouden worden als ik geen diploma’s haalde, maar ik was niet te vermurwen. Ik had juist het gevoel dat de belangrijkste deur voor mij ópenging door van school te gaan. Ik wilde vrij zijn, werd bloemenverkoper in Duitsland, had allerlei baantjes, ging op reis.

Maar toch… dat was het ook niet. Als je niet weet waar je op aankoerst, krijg je steeds meer het gevoel dat je nergens voor deugt. Ik deed in die tijd vaak niks. Dat kon ik goed, niks doen. Ik had een cv waarmee ik niet eens bij de Sociale Dienst terechtkon. Ik voelde me leeg en lusteloos.’

Wat was het keerpunt in je leven?

‘Dat was tijdens mijn eerste serieuze baan. Ik was een jaar of 23 en verkoper van kopieer­machines. Ik was daar zo goed in dat de algemeen directeur uit Minnesota kwam overvliegen om mij een beker uit te reiken voor beste medewerker van het jaar. Maar ook in dat werk bleef er iets aan me knagen. Op een gegeven moment zette ik mijn auto aan de kant van de weg. Het was een stralende dag, aan de overkant stond een boerderijtje waar ganzen rondscharrelden en op de radio klonk mooie muziek. Het was zó idyllisch allemaal, en tegelijkertijd zó in tegenspraak met hoe ik me over mijn werk voelde. Ik dacht: Wat een rotleven is dit, met een kopieer­machine in de kofferbak rondrijden in zo’n stom C&A-pak. Waar ben ik verdomme mee bezig?

Die avond ben ik voor het eerst gaan schrijven. Al het onbehagen dat ik die dag had gevoeld, zette ik op papier. Dát voelde goed. Sinds die dag ben ik ook als een gek gaan lezen. Inhalen. Nabokov, Proust, al die klassiekers. Ik ontdekte eindelijk wat ik echt wilde: lezen en schrijven. Me volzuigen met mooie taal en verdwijnen in andere werelden, uit wandelen gaan in andermans ziel en kennis. Een zegening vind ik het, dat dat kan.’

Waar geloof je in?

‘Ik geloof niet in het hiernamaals. Ik geloof niet in het klassieke godsbeeld. Ik geloof ook niet in magische dingen. Ik ben heel nuchter. Het enige waarin ik zou willen geloven, is dat iedereen au fond een goed mens probeert te zijn. Je hebt natuurlijk wel een paar gewetenloze psychopaten, maar gemiddeld genomen zullen mensen proberen het goede te doen. Er komt alleen zo ongelooflijk weinig van terecht.

Menselijke verhoudingen zijn heel complex, zie de wereldliteratuur. Zelfs met je meest dierbaren is het ontzettend ingewikkeld en lukt het vaak niet om het goede te doen. We kwetsen elkaar doordat we geen van allen bestaan uit louter mededogen en meegaandheid. We willen zo veel voor onszelf.

Ik kan bijvoorbeeld tamelijk ongeduldig zijn naar anderen. Als mijn kinderen naar school moeten en ze doen hun schoenen maar niet aan, moet ik oppassen dat ik me niet ontpop tot dictator. Ik kan ze met bevelen bestoken, maar ik kan ze natuurlijk ook gewoon zelf die schoenen aandoen, zonder de hele tijd te gaan lopen eisen. Met veel dingen probeer ik erop te letten dat ik anderen ook iets geef in plaats van alleen maar aan mezelf te denken. Dat levert iets op: een diepere connectie.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Ik zou graag zeeën van tijd hebben. Dat je kunt doen waar je zelf zin in hebt, net zo lang als je zou willen. Lezen, wandelen, met de kinderen op stap, allerlei dingen doen zonder de druk te voelen dat er weer iets geschreven moet worden – uit plichtsbesef, ambitie of omdat de schoorsteen moet roken.

Overigens heb ik nu voor het eerst het punt bereikt waarop ik tegen mezelf kan zeggen: “Doe maar kalm aan.” Jarenlang ben ik monomaan bezig geweest met schrijven. Het was een obsessieve manier van leven en werken; mijn werk en ik vielen zo ongeveer samen. Ik was altijd op weg naar het volgende boek, het volgende filmscenario, de volgende deadline. Tot nu toe heb ik om de twee jaar wel een boek geschreven, maar nu gaat het langer duren; mijn laatste boek is twee jaar geleden verschenen en ik ben niet aan een nieuw boek begonnen. Ik werk nu alleen aan een filmscenario (over de ontvoering van Heineken, red.).

Het idee voor een nieuw boek is er wel, maar ik hoef van mezelf niet al op pagina tachtig te zijn met schrijven. Ik laat het eerst eens rijpen in mijn achterhoofd. Dat ik daartoe in staat ben, komt denk ik doordat ik nu het gevoel heb dat ik iets heb neergezet. Er ligt een oeuvre achter me waar ik op kan bogen. Dat geeft een soort innerlijke rust.

Ik herinner me nog hoe ik in 1991 ontslag nam als journalist bij Nieuwe Revu, hoe ik de zekerheid van een vaste baan losliet om schrijver te worden. Dat was eng. Nu, zoveel boeken en filmscenario’s later, heb ik het gevoel dat ik opgelucht kan ademhalen. Dát is wat ik bereikt heb.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Je schijnt het vervelend te moeten vinden, maar ik ervaar het niet zo. Qua uiterlijk doet het me in ieder geval niks, een rimpeltje meer of minder interesseert mij geen bal. Mensen die met hun uiterlijk bezig zijn, doen dat altijd om de goedkeuring van anderen. Het is net als met je grafschrift: ik hoef niet te weten wat op mijn steen komt te staan. Als er al iemand naar zal kijken; ik in ieder geval niet. Dat moeten degenen die het zullen lezen maar beslissen: zetten jullie er maar iets op wat jullie leuk vinden om naar te kijken.

Ik houd me zo min mogelijk bezig met wat anderen in mij zien. Als mensen mij met van die bewonderende ogen aanspreken als “de bekende schrijver die in de krant en op televisie komt”, help ik ze snel uit de droom. Ik ga niet mee in die verering. Ik ben totaal geen flirt. Ik wil het hebben over de inhoud, of over de groene specht die hier bij mij in de boom zit. Dán kun je met mij praten.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dit is het grote mysterie uit ons bestaan, hè? Net als de dood, dat is het andere grote mysterie. Dichters, sociologen en romanciers raken niet voor niks niet uitgeschreven over deze twee ­onderwerpen. Liefde is iets ongrijpbaars. Romeo hield zielsveel van Julia, hij was bereid om voor haar te sterven. Maar zou hij ook zo achter Julia hebben aangezeten als ze twee voortanden had gemist? Of stel dat ze een mooi gebit had toen ze Romeo leerde kennen maar daarna twee voor­tanden kwijtraakte door een val van haar paard. Hoe zou Romeo dán hebben gereageerd? Dat soort dingen weten we gewoon niet. We zullen er dus nooit achter komen hoe het zit met de liefde. Je weet ook niet precies wat het is. Het is zoveel. Het is begeerte, loyaliteit, vriendschap, conflict, krachtmeting, ga zo maar door.

Wat ik wel kan zeggen, is wat de liefde voor mij heeft betekend. Zonder liefde zou ik een onvolwaardig leven hebben gehad. Het is een van de pijlers onder mijn bestaan, en heeft me een ongelooflijke rust opgeleverd. Het leven is zo armoedig als je de liefde niet kent. Dan is het alsof je een ijspegel onder je borstbeen meedraagt. Een kille plek die jou afsluit van een deel van jezelf. Je hoeft die kille plek nooit te aanvaarden, dat is wel weer een geluk bij een on­geluk. Ook mensen die geen partner hebben, kunnen de liefde in leven houden. Gewoon, door open te blijven staan voor het moment dat het de liefde behaagt voorbij te komen. Dat is het mooie ervan.’

z De laatst verschenen roman van Kees van Beijnum is Het verboden pad, De Bezige Bij, € 12,50[/wpgpremiumcontent]