Dit ben ik dus’, dacht ik. Minutenlang staarde ik in mijn eigen ogen, op zoek naar de essentie van mezelf. Naar de persoon achter die ogen. Die ziel met al die gevoelens waarvan alleen ik kon weten hoe ze voelden en gedachten waar alleen ik toegang toe had. Opgesloten in dat snel groeiende en veranderende lichaam. Ik kon uren voor de spiegel staan. Het fascineerde me. ‘Waarom ben ik ik? Waarom heb ik dit lichaam en niet dat van iemand anders? Hoe kan het dat ik denk wat ik denk?’ Zo filosofeerde ik er lustig op los, zoals zoveel opgroeiende tieners dat doen. Maar dit soort vragen bleef me ook later nog boeien. De zoektocht naar de essentie van mezelf, van de mensheid en de vragen over lichaam en geest, dreven me naar de wetenschap. Ik bestudeerde de werking van de hersenen, leerde over de functie van emoties, geheugen en bewustzijn. Ik werd psycholoog.

Maar ik vond mezelf niet. Integendeel: het werd me in de loop der jaren duidelijk dat er helemaal niemand achter mijn ogen zit, dat ik geen duidelijk afgebakend ‘zelf’ heb en dat er geen geest in mijn lichaam woont. Het spijt me het te moeten melden, maar ook in uw lichaam huist geen geest. De toonaangevende Amerikaanse denker Daniel Dennett formuleert het als volgt: ‘Het probleem met de hersenen is dat, als je erin kijkt, je erachter komt dat er niemand thuis is.’ Als wij werkelijk door onze ogen heen zouden kunnen reizen, zouden we in een donkere, doodstille wereld van cellen terechtkomen. Er zou niets te zien zijn van die zoete herinnering aan een vakantieliefde, dat typische gevoel voor humor, of gefilosofeer over de zin van het leven. Er is niets anders te vinden dan chemische processen, elektrische impulsen en zenuwcellen. Ik ben een lichaam, niet meer en niet minder. Een vat vol stofjes. That’s it.

‘Hij is zichzelf niet meer’

Eén ding werd me al snel duidelijk: als de geest ergens in het lichaam zit, dan is het wel in de hersenen. Psychische problemen blijken samen te gaan met een gebrek aan of juist een teveel van bepaalde stofjes, een vergroot of verkleind hersengebiedje, en een pilletje kan daar soms iets aan doen. Bij hersenbeschadigingen blijken er allerlei specifieke geestelijke vermogens te kunnen uitvallen. Zo zijn er mensen die ineens hun eigen vrouw en kinderen niet meer herkennen, maar verder nog precies hetzelfde zijn als voor de beschadiging. Zelfs karaktereigenschappen, die zo stabiele, unieke kenmerken van onszelf, blijken te kunnen verdwijnen als het brein kapotgaat.

‘Hij is zichzelf niet meer’, zullen familieleden van patiënten met hersenbeschadigingen dan vaak verzuchten. Voorheen rustige, introverte mensen kunnen door beschadiging aan de rechterhersenhelft emotioneel ontremd raken: snel agressief worden, of juist overdreven blij zijn. Ook kunnen ze hun gevoel voor humor kwijtraken. Gaat iets stuk aan de linkerhersenhelft, dan kunnen mensen juist passiever, angstiger en depressiever worden.

Marionetten van onze chemie

Hersenbeschadigingen veranderen aspecten van ons bewustzijn, maar nooit het geheel. Dat komt omdat er niet één hersengebiedje aanwijsbaar is waar alles samenkomt. Er is geen plek waar het ‘ik’ alle gegevens uit het brein verzamelt, conclusies trekt of keuzes maakt. Peter Hagoort, directeur van het F.C. Donderscentrum voor cognitieve neurowetenschap: ‘De zetel van het ‘ik’ is niet aan te wijzen. Het brein is een soort orkest zonder dirigent. Delen van de linkerhersenhelft, de taalcentra en de prefrontaal schors zijn wel heel belangrijk voor het kanaliseren van allerlei wilde impulsen. Misschien dat die gebieden iets hoger staan in de hiërarchie van het orkest, maar ze kunnen toch niets zonder de lagere gebieden. Het orkest organiseert zichzelf.’

Toch voelt het alsof iemand de leiding heeft. Het gehele brein creëert het gevoel dat er een stabiel zelf is, dat bewust beslissingen neemt en de regie in handen heeft. Maar dat is een illusie. Eind jaren zeventig deed de Amerikaanse onderzoeker Benjamin Libet een experiment dat veel discussie heeft losgemaakt. Hij liet zien dat het moment waarop wij denken dat we een bewuste beslissing nemen om iets te gaan doen, het moment dat wij het gevoel hebben dat we iets ‘willen’, al is voorafgegaan door allerlei breinprocessen waar we geen weet van hebben. Met andere woorden: als u denkt dat u nu een bepaalde beslissing neemt, is die beslissing eigenlijk al enkele momenten daarvoor genomen door uw brein.

Betekent dit dan dat we als marionetten van onze chemie door het leven gaan? Er zijn inderdaad behoorlijk wat wetenschappers en filosofen die dat beweren, of daar op zijn minst bang voor zijn. Zo schrijft Michael Pauen, hoogleraar in de filosofie, begin dit jaar in een speciale editie van Scientific American: ‘Als onze mentale activiteiten gelijk zijn aan hersenprocessen, dan kunnen we niet claimen dat we een vrije wil hebben. We zouden niet ons eigen gedrag bepalen – het zou worden bepaald door de regels die onze neuronen regeren.’

‘Ik ben hersenen’

Ha, maar ik kan uit vrije wil beslissen om geen letter meer van dit artikel te lezen!, zult u nu kunnen denken. Maar: doe het niet, want ik wilde net vertellen dat u inderdaad niet bent overgeleverd aan de grillen van uw brein. Wat de meeste mensen namelijk vergeten, is het simpele gegeven dat wij die neuronen met hun bijbehorende regels zijn! Wie anders? Je kunt jezelf niet los zien van je eigen brein. Ook al is het moment dat ik denk: nu wil ik een ijsje!, vrij willekeurig en waarschijnlijk niet het moment waarop die ‘wil’ werkelijk ontstaat, alle onbewuste hersenprocessen die er aan voorafgaan, zijn óók van mij! U bent dus geen slaaf van uw machinerie: u bent de machinerie!

Een deel van het probleem zit in onze taal. Wij praten over onszelf op een manier die een onderscheid veronderstelt tussen het lichaam en de geest. Alleen al de zin: ‘Ik heb hersenen’, impliceert dat ‘ik’ niet bij die hersenen hoort. Maar waar zou die ‘ik’ dan wel moeten zitten? Dat moet wel iets heel unieks zijn dat losstaat van je lichaam, zo kun je uit je eigen taalgebruik concluderen. Bas Haring, schrijver en docent kunstmatige intelligentie aan de Universiteit Leiden: ‘Onze taal is ontwikkeld in een tijd zonder wetenschap. We hadden nog geen weet van neuronen. Begrippen als ‘zelf’, ‘ik’ en ‘wil’ komen voort uit volkspsychologie.’

Peter Hagoort: ‘We hebben inderdaad last van dat dubbele in ons taalgebruik. We praten over onze hersenen en zijn het tegelijkertijd. Dat is heel vreemd.’

Ons denken zit als het ware gevangen in de beperktheid van de taal. Eigenlijk zou u moeten zeggen ‘Ik ben hersenen’, in plaats van ‘Ik heb hersenen’, maar uw omgeving zal daar waarschijnlijk een beetje vreemd van opkijken. Het zou trouwens ook verdomd lastig zijn om onszelf of iemand waarmee we een gesprek voeren, als een onsamenhangend, chaotisch geheel van stofjes te zien. Bas Haring zegt in zijn boek De ijzeren wil: ‘We zitten zo ingewikkeld in elkaar dat we, als we niet af en toe de boel flink vereenvoudigen, met geen mogelijkheid over onszelf kunnen praten. Dus zeggen we voor het gemak dat we een wil en een zelf hebben, terwijl zich eigenlijk heel grillige en moeilijk vatbare processen afspelen.’

De mens is er ongelofelijk goed in om logische, eenduidige verhalen te maken van dingen die helemaal niet zo logisch zijn. We selecteren voor ons relevante informatie uit een enorm geheel van zintuiglijke ervaringen. Dat doen we omdat de wereld anders veel te onvoorspelbaar en overweldigend zou zijn. Neem bijvoorbeeld een feestje. U bent geanimeerd in gesprek met de heer des huizes en hoort niet wat de andere mensen in de kamer allemaal zeggen. Tot u opeens uw naam hoort. U heeft dus wel degelijk het gesprek van de mensen naast u gehoord, het was alleen niet handig daar aandacht aan te besteden, want dan zou u steeds in de war raken.

Dat wij de wereld continu vereenvoudigen, heeft dus een functie, het is efficiënt. We zouden ons niet staande kunnen houden als we geen duidelijk ‘ik-gevoel’ zouden hebben en anderen niet als voorspelbare, eenduidige wezens zouden zien. Maar het maakt ook dat ons gevoel lang niet altijd klopt met hoe het werkelijk in elkaar zit. De werkelijkheid is veel complexer en onduidelijker dan we denken.

De schoonheid van complexiteit

Ik ben dus een chaotische zelf-organiserende brij van informatie. Maar er moet toch meer zijn dan dat?! Ik voel het toch? Hoe kan het dat uit al die stofjes een diep gevoel van verbintenis tussen twee mensen ontstaat, een herinnering aan een warme zomeravond, of een idee voor het opstarten van een bedrijf? Dat kan toch niet alleen maar stof zijn?

Tja, toch wel. Maar dat onze unieke persoonlijke ervaring van het leven dus niets voorstelt, is een verkeerde conclusie. Materie is ook niet ‘echter’ dan onze subjectieve ervaringen. Het gevoel van verliefdheid is net zo echt als de hormonen die op dat moment door ons brein stromen. Je kunt immers ook niet beweren dat de moleculen waaruit onze hersencellen zijn opgebouwd ‘echter’ zijn dan de cellen, of dat de atomen waar die moleculen uit zijn opgebouwd echter zijn dan de moleculen. Het zijn verschillende manieren om dezelfde werkelijkheid te beschrijven.

Ben ik nu teleurgesteld dat ik ‘het zelf’ niet heb kunnen vinden? Was het niet mooier geweest om te blijven geloven in iets mysterieus extra’s? Nee. Ik begrijp niet zo goed dat mensen het jammer vinden dat de geest uit stof blijkt te bestaan. Want onze chemie en de natuur waar wij deel van uitmaken, is zo groots, zo oneindig complex en wonderbaarlijk dat mijn verwondering en ontzag alleen maar is gegroeid. Ziet u minder schoonheid bij het kijken naar de sterrenhemel, nu u weet dat het geen grote stolp over de aarde is, maar een duizelingwekkend geheel van sterrenstelsels, planeten en zwarte gaten? Kennis verandert je wereldbeeld, maar brengt het naar mijn idee niet terug tot iets minderwaardigs. Maar wie wil blijven geloven in een simpele versie van de werkelijkheid, waarin de geest op een of andere miraculeuze wijze het lichaam bestuurt, Wodan in een boze bui de bliksem naar beneden gooit, en God in zeven dagen de wereld heeft geschapen, moet dat vooral blijven doen.

Misschien wel het bekendste verhaal over karakterverandering na een hersenbeschadiging, is dat van Phineas Gage. Gage is in 1848 als voorman bezig met de aanleg van een spoorlijn. Wanneer hij een rotspartij wil opblazen met springstof, gaat er iets grandioos mis. Bij de explosie boort zich een metalen staaf van meer dan een meter lang en drie centimeter dik door zijn hoofd en komt er aan de bovenkant van zijn schedel weer uit. Wonder boven wonder is Gage nog bij kennis en overleeft hij het bizarre ongeluk. Pas later blijkt dat hij, hoewel hij alles nog kan, niet meer dezelfde persoon is. Hij stond bekend als een harde, betrouwbare werker, beleefd, geduldig en bescheiden. Na het ongeluk blijkt hij impulsief, grof en onbetrouwbaar te zijn. Zijn persoonlijkheid is voorgoed veranderd.

Het gewicht van de ziel: 21 gram?

De Amerikaanse arts Duncan McDougall deed in 1907 een luguber experiment in een poging aan te tonen dat de ziel meetbaar was. Hij bouwde een speciaal bed op een weegschaal en legde stervende patiënten vlak voor hun dood op het bed. Hij observeerde een plotseling verlies van gewicht op het moment dat de patiënten hun laatste adem uitbliezen. McDougall was wel zo slim om mogelijke alternatieve verklaringen voor zijn bevindingen te testen: verlies van lichaamssappen kon het bijvoorbeeld niet zijn, want die zouden ook op het bed, en dus op de weegschaal, terechtkomen.

McDougall geloofde dat hij met zijn experiment het gewicht van de ziel had vastgesteld: om precies te zijn 21,3 gram. Pikant detail was dat hij ook vijftien honden eigenhandig om zeep hielp. De trouwe viervoeters bleken geen gewicht te verliezen op het moment dat ze stierven. McDougalls conclusie was helder: honden hebben geen ziel en mensen wel. Hoewel het experiment tot de verbeelding spreekt, hoeven we het niet al te serieus te nemen. Als je zijn resultaten goed bekijkt, blijkt dat van zijn zes ‘proefpersonen’ er maar vier meetelden, omdat de arts bij één hinder ondervond van ‘mensen die zich tegen zijn werk verzetten’ en de ander het loodje had gelegd voor hij de weegschaal goed en wel had afgesteld. Van de overgebleven vier patiënten verloor er eentje plotseling 21 gram, een ander bleef geleidelijk gewicht verliezen en weer een ander verloor gewicht dat er later ineens weer bijkwam. Conclusie: het bestaan van een ziel die na de dood het lichaam verlaat, is met dit experiment niet onomstotelijk bewezen.[/wpgpremiumcontent]