Vraag 1:
Waar hoopt u op?

‘Dat ik nog een keer een écht belangrijk schilderij maak, een werk van iconische waarde.’ Hij wijst naar een imposant drieluik in zijn woonkamer. ‘Deze komt daar denk ik wel bij in de buurt. Het is Een ode aan Lodewijk van Deyssel, een mengeling van tekeningen en teksten van Van Deyssel, en daar een portret van de schrijver zelf. Helemaal met een kroontjespen gemaakt. Dit zou in een museum moeten hangen, vind je niet? Mijn werk behoort internationaal tot de subtop. Ik ben geen Rembrandt of Vermeer, maar er zijn niet veel mensen die dit kunnen. Ik hoop op een grote tentoonstelling in een vooraanstaand museum, maar die kans is vrij klein.
In Nederland kan men zich niet zo goed voorstellen dat iemand in twee metiers uitblinkt. Ik blijf toch die cabaretier die ook schildert, terwijl het eerder andersom is. Ik verdien mijn geld met cabaret, maar voor mij persoonlijk is schilderen het belangrijkst. Het geeft me vrijheid. En het is sublimatie. Mijn hele leven al heb ik last van een diepgeworteld gevoel dat ik niks voorstel. Die zelfhaat moet wel aangeboren zijn, want goedbeschouwd heb ik

Log in om verder te lezen.