De jeugd van Catherine Keyl

Op een schaal van 1 tot 10; hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Een zeven. Ik heb een rare jeugd gehad. Mijn ouders kwamen net uit de oorlog. Mijn vader was Joods en heeft tweeëneenhalf jaar in een concentratiekamp gezeten. Zijn hele familie is uitgemoord – zijn broer, vader, moeder, grootouders, ooms, tantes, iedereen. Mijn moeder liep in de oorlog een hongeroedeem, op waardoor ze dertig jaar later nog dikke voeten had. Daarbij pleegde haar tweelingzus zelfmoord en stierf haar vader. Dus mijn ouders waren behoorlijk beschadigd. Toch zijn ze erin geslaagd hun kinderen een redelijke jeugd te geven.’

Wat is uw vroegste herinnering? ‘Ik droomde vaak dat mannen met herdershonden me kwamen halen. Dan zei mijn moeder: “Hoe kan dat nou?! We hebben je nooit iets over de oorlog verteld.” Blijkbaar dringt dat onbewust toch door bij een kind. Ik heb aan het oorlogsverleden van mijn ouders het gevoel overgehouden dat je altijd je koffer moet hebben klaarstaan. Ik vertrouw mensen niet makkelijk.’

Uit wat voor gezin komt u? ‘Een gezin met drie meisjes, van wie ik de oudste was. Mijn vader im- en exporteerde dons. Eigenlijk had hij als eerstgeborene liever een zoon gehad. Hij zei

bijvoorbeeld: “Je kunt mijn zaak nooit overnemen, een vrouw kan niet tillen.” Hij vond dat heel frustrerend.’

Wat voor kind was u? ‘Ik zat altijd binnen, verhaaltjes schrijvend of tekenend. Op de lagere school ben ik ook erg gepest omdat ik alle straatspelletjes niet kende. Dat was heel heftig. Wat heel bepalend is geweest, is dat ik van mijn negende tot mijn elfde seksueel misbruikt ben door mijn onderwijzer. Maar bepalend in positieve zin. Doordat ik altijd negatief werd benaderd door mijn vader, had ik het gevoel dat ik nooit goed genoeg was. En deze leraar zag mijn talenten wel. Ik mocht mijn verhaaltjes voorlezen in de klas, en ineens hingen de kinderen die mij pestten aan mijn lippen. Dankzij hem kwam ik erachter dat ik wél wat kon. Het klinkt misschien vreemd, maar ik denk dat ik het niet had gered als hij er niet was geweest.’

Wat voor leerling was u op de middelbare school? ‘Opeens was ik populair, werd ik klassenvoorzitter, ging ik bij de schoolkrant. Ik had het gevoel dat ik helemaal tot mijn recht kwam. Ik heb ook helemaal niet gepuberd.’

Wat hebt u van uw ouders geleerd? ‘Ze hebben me wel veel mogelijkheden gegeven – in die tijd best bijzonder. Vrouwen kregen weinig kansen, terwijl mijn vader het liefst had dat ik zijn zaak overnam. En door hun oorlogsverleden ben ik heel gevoelig voor onrecht. Ik heb niet zo’n hoog zelfbeeld maar als ik onrecht zie, word ik een tijgerin. Dat heeft me in mijn tijd als verslaggeefster enorm geholpen. Maar ik heb aan mijn opvoeding ook het gevoel overgehouden dat ik nooit goed genoeg ben. Als ik een rapport had met allemaal tienen en er stond één zeven op, dan werd daarover gezeken. Dat heeft me weinig zelfvertrouwen gegeven. Ik heb dertig jaar tv gemaakt, en nog vraag ik me af of ik het eigenlijk wel kan. Als ik, zoals nu, een jaartje geen programma heb, denk ik gelijk: zie je nou wel, ze zijn erachter gekomen dat ik niks kan.’n

– Geboortedatum: 24 oktober 1946

– Groeide op in: Den Haag

– Gezinssamenstelling: twee jongere zussen[/wpgpremiumcontent]