Op een schaal van 0 tot 10: hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Ik heb mij destijds nooit afgevraagd of ik gelukkig was of niet. Je aanvaardde alles als vanzelfsprekend. Tot ik op mijn achttiende in Leiden ging studeren, woonden we in hetzelfde piepkleine huisje in een arbeidersbuurt. Ik wist wel dat er ook mensen waren die in grotere huizen woonden, maar dat deerde me niet. Bovendien was iedereen arm, dus het viel niet op dat we karig leefden. Toen zou ik mijn leven zonder meer een tien hebben gegeven. Nu ik terugkijk, vind ik het vreselijk jammer dat ik als kind geen muziekles heb gehad. Dus gaat het cijfer met terugwerkende kracht omlaag naar een acht.’

Wat voor kind was u? ‘Ik had maar één bezigheid: lezen. Dus ik was niemand tot last. Mijn moeder zegt altijd: “Je had geen kind aan hem.” Mijn vader wist ooit een hengel voor me op de kop te tikken. Om hem een plezier te doen, ging ik dan zogenaamd vissen en zat ik aan de waterkant te lezen. Ik verslond ongeveer tien boeken per week: jongensboeken, meisjesboeken, commentaren op de bijbel, encyclopedieën, alles wat ik te pakken kreeg. Contact met de omgeving had ik

helemaal niet, ik las altijd. Met mijn zusje en broertje speelde ik nooit. Vriendjes had ik ook niet. Ik was een reuze eenzelvig jongetje, dus eenzaam heb ik me nooit gevoeld.’

In wat voor gezin groeide u op? ‘Mijn vader was doodgraver, mijn moeder huisvrouw. Bij het avondeten vertelde mijn vader altijd uitvoerig wat hem die dag op de begraafplaats was overkomen. Hij kon geweldig goed vertellen, we hingen aan zijn lippen. Ons gezin was straatarm. Niettemin was de sfeer thuis zeer prettig; nooit een onvertogen woord, nooit ruzies. Politiek waren mijn ouders van de Anti-Revolutionaire Partij, protestants-christelijk, dus. Mijn vader had een buitengewoon heftige afkeer van liberalen. “Liberalen, donderstralen,” zei hij altijd en daar had hij volkomen gelijk in, want het woord donderstraal schiet nog tekort om zo’n monster als Verdonk te beschrijven.’

Vroegste herinnering? ‘Dat ik op mijn derde niet door mijn moeder naar de bewaarschool gebracht wilde worden, maar helemaal alleen wilde gaan. Mijn moeder heeft later verteld dat ze me op flinke afstand gevolgd is om te kijken of het allemaal goed ging.’

Jeugdtrauma? ‘Heb ik niet. Af en toe werd ik gepest, maar dat deerde me volstrekt niet. Daardoor hield het vaak snel weer op, er was voor mijn klasgenoten geen eer aan te behalen. Wel stierf in de tweede klas lagere school een klasgenootje. Maar dat was geen trauma. Ik was vooral vreselijk jaloers omdat hij de dominee op bezoek kreeg en ik niet.’

Naar welke middelbare school ging u? ‘Ik zat op het Groen van Prinsterer Lyceum in Vlaardingen. Er heerste een zeer christelijke sfeer. We werden daar – in de woorden van de rector – opgeleid voor “tijd en eeuwigheid beide”. Ik vond het er heerlijk. Je leerde ontzaglijk veel en ik was heel leergierig. Je kreeg ook vreemde talen, zodat het aantal te lezen boeken enorm toenam. Ik was altijd de beste van de klas. Ik kon goed leren, maar werkte ook heel hard, want ik was buitengewoon eerzuchtig. De vijf middelbareschooljaren zijn de mooiste van mijn leven geweest, met niets te vergelijken.’

Eerste zoen? ‘Die kwam pas toen ik 22 was. Van de vrouw met wie ik nog steeds getrouwd ben. Verder zeg ik daar liever niks over.’

– Geboortedatum: 25 november 1944

– Groeide op in Maassluis

– Gezinssamenstelling: vader, moeder, jongere zus, jongere broer[/wpgpremiumcontent]