Wat betekent natuur voor uw psychische gezondheid? Deze vraag in ons aprilnummer leverde een aantal enthousiaste en uitgebreide verhalen op. Over één ding zijn alle inzenders het eens: in de natuur kun je tot rust komen, en dat is goed voor een mens. ‘Groen, alleen de kleur al, maakt rustig’, schrijft iemand. Een ander heeft het over ‘het uitgeruste, vredige en vertrouwenwekkende gevoel’ dat de natuur hem geeft. Een derde legt uit hoe ‘rusten in de natuur’ voelt: ‘mijn hoofd leegt zich, mijn lichaam ontspant en ik ben gewoon’. Alle inzenders gebruiken termen als rustgevend, anti-stress en ontspannend als ze het hebben over de relatie tussen natuur en psychisch welbevinden. En dat die ontspanning die de natuur ons geeft, goed en broodnodig is voor de moderne mens, wordt unaniem onderschreven.

Training

Denk je slank

  • Ontwikkel een sterke wilskracht
  • Ontdek eetgewoontes die bij je passen
  • Afvallen met blijvend resultaat
bekijk de training
Nu maar
€ 75,-

‘Die uitkomst verbaast mij niet’, zegt omgevingspsychologe Agnes van den Berg die vanuit haar vakgebied de wisselwerking tussen mens en omgeving bestudeert. ‘Als je mensen vraagt wat natuur voor hen betekent, krijg je spontaan altijd min of meer hetzelfde antwoord. Mensen ontspannen zich in de natuur. Ze komen er tot zichzelf en vinden er rust. Het tweede aspect dat altijd naar voren komt, is het genoegen dat

de natuur schenkt. Mensen genieten van de natuur.’ Met dat laatste zullen de meeste inzenders van de prijsvraag het eens zijn. Sommigen afficheren zich in hun bijdrage uitdrukkelijk als natuurliefhebber. Velen gebruiken woorden als ‘prachtig’, ‘heerlijk’ en ‘overweldigend’ als ze over hun natuurbeleving spreken. De kleuren, de geuren en de schoonheid van de natuur worden in de ingezonden teksten veelvuldig bezongen. Natuur is genieten, of het nu gaat om de bloembeddden in de achtertuin of om een survivaltocht in Ierland.

De lijst met positieve aspecten die de inzenders verbinden aan natuur en natuurbeleving is behoorlijk lang (zie grafiek). In de natuur komen creatieve gedachten en ideeën op, de natuur geeft kracht en nieuwe energie, de natuur is helend en therapeutisch, men kan er troost vinden, nieuwe inzichten verwerven, harmonie beleven, evenwicht hervinden, vrijheid ervaren, genieten van de afwezigheid van mensen en de ruimte voelen. Veel inzenders verwijzen in dit verband niet alleen naar de natuur zoals die buiten de stad in natuurgebieden te vinden is, maar ook naar de ‘groene’ genoegens vlakbij huis: de planten op het balkon, de eigen achtertuin of het park om de hoek.

De aanwezigheid van groen in de woonomgeving is belangrijk voor het woongenoegen en daarmee, zo meent men, voor het psychisch welbevinden. De verhuizing van een flat naar een huis met een tuin maakte ‘psychisch gezonder’, schrijft iemand. En een ander die op de negende verdieping elke dag van een prachtig uitzicht kon genieten, kwam na enige tijd toch tot dezelfde conclusie: hoog wonen was niet gezond voor haar (zie de brief hieronder). Bij de suggesties voor verder onderzoek wordt dan ook veelvuldig het thema stad-platteland genoemd. Onderzocht zou moeten worden of mensen in een betonnen flatwijk de natuur anders beleven en mogelijk psychisch ongezonder zijn dan degenen die middenin het groen wonen.

Agnes van den Berg wijst erop dat de tegenstelling tussen stedelingen en plattelanders wat betreft hun natuurbeleving veel minder scherp ligt, dan in eerste instantie door veel mensen wordt aangenomen. De plaats waar je woont, zegt op zichzelf niet zoveel over je relatie met de natuur. Maar meer onderzoek op dit terrein zou zeker wenselijk zijn, meent ook zij.

Kronkelend riviertje

Uit een aantal bijdragen blijkt dat de natuurbeleving tijdens de jeugd van groot belang is geweest. Veel inzenders refereren met de nodige nostalgie aan de natuur uit hun jonge jaren: de boerderij van oma, het braakliggend terrein waar hutten werden gebouwd, de geur van appels in de boomgaard. Sommigen vragen zich af welke rol zulke vroege herinneringen spelen en of ze iets voorspellen over je latere verhouding tot de natuur. Zouden positieve jeugdervaringen een voorwaarde zijn om op latere leeftijd een innige band met de natuur te ontwikkelen? Van den Berg: ‘Dat is een moeilijk punt. De ervaring van natuur is iets heel individueels en is zeer persoonsgebonden. Het is moeilijk om er algemene uitspraken over te doen. Het feit dat bijvoorbeeld je vader je altijd meenam de natuur in, blijkt geen voorspellende waarde te hebben voor de voorkeur voor bepaalde landschappen op latere leeftijd.’ Wat je als volwassene een mooi landschap vindt, heeft weinig te maken met de favoriete plekjes uit je jeugd. Volgens haar zijn Nederlanders op het punt van landschapsvoorkeur tamelijk eensgezind. De meerderheid vindt een halfopen landschap met een kronkelend riviertje het mooist.

Ondanks deze overeenkomst, zijn er ook grote verschillen tussen mensen in hun esthetische waardering voor een bepaald type landschap. Van den Berg, die onlangs op dit onderwerp promoveerde, wijst op de verschillen tussen haar proefpersonen voor wat betreft hun waardering voor ruige, natte natuurgebieden enerzijds en meer gecultiveerde en verzorgde landschappen anderzijds. De tegenstelling tussen ruig en gecultiveerd wordt door een aantal inzenders van de prijsvraag ook gemaakt. Opvallend is dat de meesten een duidelijke voorkeur voor een ongeordend natuurlandschap hebben. Alleen daar waar de natuur zijn gang kan gaan, vind je ‘echte’ natuur, is de teneur van een groot aantal bijdragen. Hoe wilder, hoe echter. ‘Als ik door een te gecultiveerd, te kort gesnoeid gebied loop, word ik depressief van het slopen van de natuur’, schrijft een inzendster. In een aantal bijdragen wordt in het verlengde hiervan de vraag gesteld of er in het volgebouwde Nederland uberhaupt nog ‘echte’ natuur te vinden is. Verschillende inzenders roepen de overheid op om de boel toch een beetje meer te laten verwilderen.

Wat vindt Agnes van den Berg van deze voorkeur voor het ongerepte? ‘Op grond van mijn onderzoek kan ik vaststellen dat slechts een bepaalde groep mensen op deze manier tegen natuur aankijkt. Het zijn vooral hoger opgeleiden, natuurliefhebbers en mensen met een groene politieke voorkeur, die dol zijn op oerbossen en oermoerassen waar de natuur zijn gang kan gaan. Daarnaast zijn er grote groepen die niets moeten hebben van dat ruige, en de voorkeur geven aan een gecultiveerd en geordend landschap.’ Op basis van verschillende veld onderzoeken en experimenten concludeert Van den Berg dat met name boeren, ouderen, lager opgeleiden en mensen uit de lagere inkomensgroepen een verzorgd en ‘netjes’ landschap hoog waarderen. Onder de inzenders van de prijsvraag is er te midden van liefhebbers van een ruig landschap slechts een enkeling die zich uitspreekt voor ‘reine’ natuur, waar ‘alles netjes, geordend’ is.

Struinnatuur

Uit het onderzoek van Van den Berg blijkt verder dat mensen met een voorkeur voor een gecultiveerd landschap, natuur anders gebruiken dan degenen die op zoek zijn naar zo ruig mogelijke plekken. Het gaat de liefhebbers van een verzorgd landschap vooral om veiligheid en gezelligheid. De natuur ingaan is voor hen een sociale aangelegenheid. De groep met een voorkeur voor ruige natuur heeft meestal een andere bedoeling met zijn uitstapje: men wil tot rust komen, nadenken en er even helemaal uit zijn. Volgens Agnes van den Berg hangen de voorkeuren voor bepaalde landschappen sterk samen met de beelden die de proefpersonen hebben van de natuur. Zo heeft een boer die economisch afhankelijk is van de natuur, over het algemeen een ‘antropocentrisch’ natuurbeeld: voor hem staat de mens in het agrarische landschap centraal. Wie niet economisch met het landschap verbonden is, en de werkdruk en de stress ontvlucht om in de natuur tot rust te komen, heeft veelal een zogenaamd ‘ecocentrisch’ beeld van de natuur: hoe natuurlijker, hoe beter.

Liefhebbers van een gecultiveerd landschap komen in Neder land ruimschoots aan hun trekken, zou je zeggen. Met de voorkeur voor ruige natuur wordt de laatste jaren in het overheidsbeleid dan ook wat meer rekening gehouden. Zo is onlangs het begrip ‘struinnatuur’ geïntroduceerd. Beleids makers en onderzoekers zijn er inmiddels van overtuigd dat met name opgroeiende kinderen behoefte hebben aan verwilderde, ongecultiveerde plekken, waar ze ongestoord hun gang kunnen gaan. ‘Het heeft iets tegenstrijdigs’, zegt van den Berg. ‘Je gaat nu bewust plannen dat op bepaalde plekken iets spontaans mag ontstaan. Men laat terreintjes verwilderen en wijst gebieden aan waar de natuur de vrije loop krijgt.’

Therapeutische werking

Natuur wordt door veel mensen niet alleen met ontspanning en genieten geassocieerd, maar heeft ook een spirituele waarde. In de inzendingen voor de prijsvraag werden termen gebruikt als ‘je één voelen met de natuur’ en ‘je ingebed weten in een groter, ondersteunend geheel’. Agnes van den Berg herkent dat. ‘Die spirituele dimensie is voor veel mensen heel belangrijk, maar ook wat dit aangaat zie je verschil tussen de groep die van ruige natuur houdt en de mensen die een gecultiveerd landschap waarderen.’ Het blijken vooral de liefhebbers van woeste en ongerepte natuur te zijn, die uitspraken doen als ‘Ik kan helemaal opgaan in de natuur.’ Wie van een geordend, overzichtelijk landschap houdt om gezellig met elkaar te kunnen wandelen of fietsen, heeft veelal een nuchterder benadering. Voor deze groep is natuur niet zozeer spiritueel. Het gaat hen meer om de sociale contacten dan om de eigen natuurbeleving.

Behalve spiritueel is de natuur voor velen ook helend of therapeutisch. Volgens Agnes van den Berg is het een bekend gegeven dat mensen in moeilijke situaties de natuur opzoeken. In de natuur kun je je dagelijkse beslommeringen van je afzetten, tot rust en tot inzicht komen, getroost worden en op nieuwe ideeën komen. Dat kan op heel verschillende manieren, zo blijkt uit de inzendingen. Terwijl voor de één een strandwandeling met de honden een therapeutisch effect heeft, zweert een ander bij een rondje joggen, het bedwingen van een bergtop of lekker spitten in de achtertuin. De laatste jaren is er in de media aandacht geweest voor het vermeende louterende effect van survivaltochten. Van den Berg vraagt zich af of dat soort ondernemingen inderdaad een therapeutisch effect hebben. ‘Ik denk wel eens dat sommige mensen alleen maar bevestiging van hun ellende zoeken door de ruige natuur in te gaan. Maar dat is een veronderstelling van mijzelf. Ik kan het niet bewijzen. Het is natuurlijk wel zo dat je in de natuur de ruimte krijgt om je te uiten, en moeilijkheden van je af te zetten. Dat kan een positieve uitwerking hebben.’

Onderzoek lijkt uit te wijzen dat niet de ruige, ongerepte natuur, maar juist het door mensenhand geordende landschap een therapeutische werking heeft. Van den Berg noemt in dit verband een onderzoek naar het effect van verschillende landschapsschilderijen die aan de muren van een kliniek hangen. Patiënten bleken arcadische, idyllische landschappen verre te verkiezen boven schilderijen met wilde, ‘lege’ natuur. Een onontgonnen landschap maakte hen bang en onrustig, terwijl een gecultiveerd, vriendelijk en gecontroleerd landschap juist vertrouwen gaf. Het feit dat mensen de woeste natuur onder controle hebben weten te brengen, zou een therapeutische werking hebben. Op deze manier zou eveneens het genezende, helende effect van tuinieren kunnen worden verklaard, waar een aantal inzenders van de prijsvraag naar verwijst. ‘Het in de natuur werken, het scheppen, zaaien, poten, uitdunnen en oogsten heeft vaak een heilzame werking’, zo schrijft een van hen.

Liefde, pijn en angst

Een aspect dat tot nu toe nog niet aan de orde is geweest en dat ook in de inzendingen slechts incidenteel genoemd wordt, is dat de natuur ook frustrerende ervaringen kan opleveren. Hadden we de prijsvraag in een ander land of een andere cultuur uitgeschreven, dan had dit aspect waarschijnlijk veel zwaarder gewogen. Iemand die in het Amazonegebied woont, zal het regenwoud dat door ons mooi en prachtig wordt gevonden, in heel andere termen beschrijven. Dat onmetelijke bos is namelijk ook gevaarlijk. En verder is het economisch van belang: je kunt er hout kappen en daar geld mee verdienen. Maar mooi of therapeutisch of ontspannend? We zouden waarschijnlijk uitgelachen worden om onze waslijst van positieve aspecten die voor ons met natuur te maken hebben.

Slechts een paar inzenders refereren aan de gevaarlijke kant van de natuur, maar dan gaat het over het algemeen niet meer over de natuur in Nederland. Iemand schrijft in verband met een tocht door de bergen over een ‘beangstigend gevoel dat me dingen konden overkomen waarvan ik absoluut niet zou weten hoe ermee om te gaan’. Een ander formuleert het zo: ‘De natuur kan een breed scala aan gevoelens oproepen van liefde en genot tot pijn en frustratie of zelfs angst, afkeer en haat, hoewel ik vermoed dat mensen die laatste emotie in de Nederlandse natuur niet veel ervaren.’

Aandacht voor dat beetje natuur

Het woord frustratie komt overigens wel in de bijdragen terug, maar betreft dan in bijna alle gevallen de frustratie over de aantasting en de vernietiging van de natuur. Veel inzenders ergeren zich aan de manier waarop in Nederland met de natuur wordt omgegaan. Ze vrezen dat er niet één stil en ongerept stukje natuur overblijft. Die frustratie kan zo ver gaan, dat het verband tussen natuur en psychische gezondheid negatief wordt, zoals een inzendster suggereert: ‘Ik vermoed dat de natuurervaringen van natuurliefhebbers en milieu-activisten een aantasting van hun psychisch welbevinden kunnen vormen, doordat ze dag in dag uit merken hoe hun leefomgeving wordt aangetast.’

Dat is te midden van de positieve uitspraken over het effect van de natuur op de psychische gezondheid, een negatief geluid, dat – zeker in beleidskringen – aandacht verdient. Als natuur inderdaad zo gezond voor ons is, zoals velen beweren, hebben we er een belangrijke reden bij om dat beetje natuur dat we in het dichtbevolkte Nederland hebben, te koesteren. En of het daarbij gaat om ruige oerbossen of om een geordend weide gebied met bosjes en sloten, daarover kunnen we altijd nog in discussie treden.[/wpgpremiumcontent]