Uit veldobservaties van zwerfkatten is bijvoorbeeld gebleken dat zij lang niet altijd de solitaire, onafhankelijke dieren zijn waarvoor katten doorgaans gehouden worden. In kattenkolonies die rond een voedselbron ontstaan, zoals een boerderij of een vuilstortplaats, verzorgen en voeden de vrouwtjes elkaars jongen. Binnen grote kolonies zijn er subgroepen die bestaan uit afstammelingen in de vrouwelijke lijn: moeders, dochters, kleindochters, met een eigen territorium dat zij verdedigen tegen agressieve mannetjes. Het sociale leven van een kat is veel ingewikkelder dan we denken.

De mens is geen superdier meer

Met dergelijk onderzoek vergroten we onze kennis van het diergedrag. Maar ook zien we steeds méér overeenstemming met het gedrag van de mens. De afstand tussen mens en dier wordt kleiner. Nu was de troon van de mens als superdier al sinds Darwin aan het afbrokkelen, maar het diergedragsonderzoek van de laatste decennia laat de gelijkenis tussen mens en dier zien op zulke uiteenlopende terreinen als leervermogen, taalgebruik, agressie en leiderschap.

Bovendien heeft het hersenonderzoek de evolutionaire gelaagdheid van onze hersenen ontrafeld: we volgen in sommige situaties nog steeds de impulsen uit ons reptielenbrein. Welke eigenschappen zijn dan nog typisch menselijk? Intelligentie, zelfbewustzijn, taal, moreel besef? Afhankelijk van de definitie kan de mens zijn superioriteit nog enigszins overeind houden, maar het bouwwerk vertoont behoorlijk diepe scheuren.

Pas op voor Georgia

Een van de eigenschappen die we als echt menselijk beschouwen is het empathisch vermogen: mensen kunnen zich in de gedachten en gevoelens van anderen verplaatsen, een vermogen dat we ook al bij kinderen zien.

Neem het voorbeeld van de deugniet Georgia op een crèche waar onderzoekers geregeld gedragsobservaties komen doen. Telkens als er in het instituut bezoek van buiten komt, ziet men haar nonchalant naar de kraan lopen om daar wat te drinken. Even later beweegt ze zich onopvallend tussen de anderen naar voren tot ze oog in oog met het bezoek staat en voor je het weet heeft ze de niets vermoedende dame of heer nat gespoten. Hilariteit alom en groot succes voor Georgia, elke keer opnieuw.

Een herkenbaar tafereel: kinderen die een volwassene een poets bakken. Een spelletje met vele varianten. Alleen is Georgia in dit geval een volwassen chimpansee en het slachtoffer een bezoeker van een Amerikaans instituut voor dieronderzoek. Georgia heeft geen waterpistool, maar spuugt de bezoeker eenvoudig onder.

De bioloog Frans de Waal, die het voorval beschrijft, was zelf bijna door Georgia onder handen genomen. Ze had zich weer eens in een strategische positie opgesteld, vlak bij hem. De Waal keek haar echter recht aan en riep, terwijl hij met zijn vinger in haar richting wees, in het Nederlands: ‘Dat zag ik nou eens net!’ Waarop Georgia een stap terug deed en het water deels uit haar mond liet lopen, deels haastig inslikte.

De verleiding is groot om Georgia een ondeugende, slimme aap te noemen, die handig gebruik maakt van de onoplettendheid van de bezoeker en anticipeert op de reacties van de omstanders. Allemaal menselijke trekjes, geïnterpreteerd volgens de normen van het menselijke sociale verkeer. Terwijl Georgia misschien alleen maar een trucje had geleerd waarmee ze aandacht trok (positieve reinforcement) en dat daardoor een vast onderdeel van haar gedragsrepertoire was geworden. In het laatste geval is haar gedrag te verklaren als een geconditioneerde reactie en zou het onjuist zijn Georgia de eigenschap toe te schrijven dat ze een ander graag voor de gek houdt en weet hoe ze dat moet aanpakken.

Dit stelt gedragsonderzoekers voor een dilemma. Kunnen we zeggen dat Georgia voelt en denkt als een mens? Dat ze aanvoelt wat een practical joke is? We kunnen het haar niet vragen. Ons gevoel en ons gezond verstand zeggen van ja en in de dagelijkse omgang met dieren kan dat geen kwaad. In het diergedragsonderzoek is men echter van oudsher zeer huiverig voor deze vorm van antropomorfisme – het naïeve toeschrijven van menselijke mentale processen aan een dier. Dit heeft te maken met het economisch principe van wetenschappelijke verklaringen: in de wetenschap (in ieder geval de empirische wetenschap) is het gebruikelijk aan een eenvoudige verklaring de voorkeur te geven boven een complexe. Niet nodeloos ingewikkeld als het ook simpel kan. De directe observatie (‘Georgia heeft gedrag geleerd dat succes heeft’) heeft als verklaring de voorkeur boven het bedenken van intenties (‘Georgia houdt wel van een geintje’).

De inktvis en het balletje

Het is duidelijk dat door de toegenomen kennis en alle publicaties over diergedrag onze verhouding tot het dier is veranderd. Wij zien het menselijke niet alleen in mensapen en huisdieren, maar ook in vogels, roofdieren en insecten. Op het laatste congres van de Animal Behavior Society werden onder andere het leervermogen en de scherpzinnigheid van inktvissen onder de loep genomen. Inktvissen blijken de keuze tussen twee balletjes (rood = voedsel, wit = elektrische schok) sneller te leren als zij het verloop van deze proef eerst bij soortgenoten hebben kunnen observeren. Inktvissen zijn ook een meester in de camouflage: zij nemen razendsnel de kleur en het patroon van de achtergrond aan en doen dat voor uiteenlopende doeleinden: om een prooi te vangen, om zelf aan roofdieren te ontsnappen of om een partner te verleiden. Ook kunnen ze een potje voedsel openen dat ze nooit eerder hebben gezien.

Het gevaar is nu dat men inktvissen motieven en bedoelingen toekent die ontleend zijn aan menselijke motieven en bedoelingen. Maken ze een potje voedsel open omdat ze ‘nieuwsgierig’ zijn?

De mens als criterium

In het verleden maakte men wel onderscheid tussen dierpsychologie, die zich beperkt tot het dier, en vergelijkende psychologie, die het gedrag van mens en dier vergelijkt. De laatste levert de meest interessante gegevens op (over dier én mens), maar de vraag blijft of men diergedrag wel kan en moet onderzoeken met probleemstellingen en begrippen die ontleend zijn aan de menselijke psychologie. Is bijvoorbeeld de taal van dolfijnen alleen te begrijpen vanuit de kennis van de menselijke taal? Of is het een uniek fenomeen dat een geheel eigen onderzoeksaanpak vereist?

Vaak speelt op de achtergrond de gedachte mee dat het menselijk gedrag in het universum van diergedrag evolutionair het meest ontwikkeld is en dat alle andere diersoorten daarbij achterblijven. Vooral het bewustijn en de taal zijn ‘hogere’ functies die in de verfijning en rijkdom zoals wij die ervaren, nog bij geen enkele andere diersoort ontdekt zijn. Men zoekt dan naar dezelfde functies bij het dier en vindt die in minder ontwikkelde vorm, en sluit de ogen voor de mogelijkheid dat die functies bij het dier in bepaalde andere opzichten misschien veel beter ontwikkeld zijn. De mens als criterium voor de capaciteiten van het dier.

Deze discussies zijn nog steeds actueel. In de dit jaar verschenen bundel Anthropomorphism, Anecdotes and Animals, samengesteld door psycholoog Robert Mitchell, etholoog Nicholas Thompson en antropoloog Lyn Miles komen alle gezichtspunten nogmaals aan bod. Er is sprake van antropomorfisme als we de volgende drie vragen stellen: Hebben dieren bewustzijn? Is hun gedrag doelgericht? Kunnen dieren zich in andere dieren verplaatsen? Het zijn deze drie menselijke eigenschappen die wij onwillekeurig aan dieren toeschrijven als hun gedrag daartoe aanleiding geeft.

Communicatie, het gebruik van symbolen, het anticiperen op gedrag van anderen en het zichzelf herkennen in een spiegel zijn ‘menselijke’ gedragingen die wijzen op een zekere intelligentie en zelfbewustzijn. Doelgerichtheid van gedrag zullen we eerder opmerken als het menselijk invoelbare doeleinden zijn, zoals het beschermen van je kinderen of het streven naar macht. Een psychologische interpretatie maakt zulk diergedrag pas begrijpelijk.

Empathisch vermogen bij dieren nemen we bijvoorbeeld aan als we zien dat dieren rekening houden met elkaar of elkaar voor de gek houden. Het is een typisch menselijke eigenschap die al op jonge leeftijd waarneembaar is.

Het principe van de eenvoud

Toch is naïef antropomorfisme in de wetenschap niet per se verkeerd. Het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan dieren kan hypothesen opleveren om bepaald gedrag in een experimentele opzet nader te onderzoeken. In zijn boek Van nature goed. Over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en andere dieren stelt Frans de Waal dat het uitgangspunt van ‘de meest eenvoudige verklaring’ op twee manieren kan worden toegepast. De eerste is de eerder genoemde, cognitieve ‘eenvoud’: men moet een dier geen hogere mentale functies of eigenschappen toeschrijven als het gedrag ook door middel van eenvoudiger cognitieve functies verklaard kan worden. Daarnaast is echter ook een evolutionair soberheidsprincipe van belang: als twee diersoorten die evolutionair nauw verwant zijn – zoals de mens en de chimpansee – vergelijkbaar gedrag vertonen, zullen de mentale processen die daaraan ten grondslag liggen hoogstwaarschijnlijk ook overeenkomstig zijn. Het zou evolutionair buitengewoon oneconomisch zijn als het twee totaal verschillende processen waren.

Waarom zou men dan niet putten uit eigen ervaring en zich tot op zekere hoogte identificeren met het dier om bepaalde cognitieve processen beter te kunnen onderzoeken? Zolang het streven is om toetsbare ideeën en reproduceerbare waarnemingen te verkrijgen, is er geen bezwaar tegen antropomorfisme. Volgens De Waal heeft het in het wetenschappelijk denken dezelfde functie als intuïtie.

Van cruciaal belang is het medium: de taal. Kunnen we begrippen als vriendschap, solidariteit en rivaliteit gebruiken? De Waal: ‘Dieren, vooral die waarmee wij een nauwe band hebben, laten een enorm scala aan emoties en verschillende soorten relaties zien. Redelijkerwijs kan dit alleen maar worden beschreven in een rijk idioom.’ Het is dus voorstelbaar dat een dieronderzoeker gebruik maakt van het rijke idioom van de spreektaal. Literaire schrijvers zijn daarbij in het voordeel, zeker als zij bioloog zijn. Zoals Midas Dekkers in een column zijn poes beschrijft: ‘Arie was de poes der poezen. Het vak van poes verstond ze tot in de puntjes. Ze wist hoe ze mooi moest wezen en hoe ze wijs moest zijn. (…) Zonder enige ophef of een schijn van misbaar wist ze altijd haar doel te bereiken en bereikte ze het eens niet, dan was het zeker haar doel niet geweest.’

Het onbekende heeft een ziel

Hoe komt het eigenlijk dat mensen de neiging hebben het menselijke in een dier te zien? Welk dier we ook zien, die neiging is onweerstaanbaar, niet alleen bij dieren die ons vertrouwd zijn, de huisdieren, maar ook – en vooral – bij dieren die we voor het eerst zien. Een vreemd insect, een onbekende roofvogel, een eigenaardig gevormde vis. Een bezoek aan de dierentuin is niet geslaagd als we niet oog in oog hebben gestaan met een dier met een ondefinieerbaar menselijk trekje. Een dier dat je aankijkt en liefst een dier dat toenadering zoekt.

Misschien kunnen we niet anders. Vele dieren gedragen zich alsof ze weten wat ze doen en het is onvermijdelijk dat we hun gedrag interpreteren in termen van menselijk gedrag. De inktvisonderzoeker Moynihan trekt een vergelijking met een uitspraak van de natuurkundige Stephen Hawking, die vrij vertaald luidt: ‘Wij mensen zien het universum zoals we doen omdat, wanneer het universum anders in elkaar zou zitten, wij er niet zouden zijn om het te observeren.’

Ook de antropoloog Stewart Guthrie stelt dat antropomorfisme een volstrekt automatische reactie is, een ‘onwillekeurige perceptuele strategie’, waardoor we aan alles wat we niet meteen thuis kunnen brengen een mensachtige vorm of oorsprong toeschrijven. De oorzaak is volgens hem dat wij in ons dagelijks leven het meest met andere mensen en hun activiteiten te maken hebben. Hetzelfde mechanisme verklaart dat we een gezicht in de maan zien of ‘witte wieven’ in de mist. Een cognitieve vergissing. Wanneer we weten hoe het onbegrijpelijke verklaard moet worden, verdwijnt de antropomorfistische verklaring. Was het niet zo dat men vóór de ‘ontdekking’ van de zwaartekracht ervan overtuigd was dat dingen van een hoogte naar beneden vielen omdat zij een natuurlijke rustplaats zochten? Tegenwoordig zeggen we dat de auto niet ‘wil’ starten of dat de computer weer eens ‘kuren’ heeft.

Mensen kunnen niet zonder dieren

Een andere verklaring van antropomorfisme is dat het ervoor zorgt dat interactie tussen mens en dier mogelijk is. Een evolutionair waardevol systeem dus, omdat de mens slechts in evenwicht met andere diersoorten kan overleven. Een voorbeeld is het omgaan met huisdieren en vee. Huisdieren werden aanvankelijk gehouden omdat zij nuttig waren voor de bescherming van huis en haard. Dat honden, katten en paarden zich aanpasten aan de menselijke staat, was mogelijk doordat de mens rekening hield met de behoeften van het dier. Het resultaat was een wederzijdse interactie die mens èn dier bevredigde.

De psychologen Linnda Caporael en Cecilia Heyes komen met nog een derde hypothese: antropomorfisme zou ons in staat stellen onze normen en waarden tegenover de levende natuur duidelijk te maken. Door over andere organismen te praten alsof zij menselijk zijn, preciseren wij onze houding tegenover die organismen. Antropomorfisme is een uitvloeisel van het groeiende besef dat mens en dier een ecologisch evenwicht moeten vinden. Met andere woorden: de plaats en de rechten van dieren zijn onderdeel van onze normen en waarden. Als dieren blijk geven van menselijke mentale activiteit, moeten zij daar ook naar behandeld worden. Dat is helaas geen steekhoudend argument om de vernietiging van het milieu tegen te houden, maar het versterkt de argumentatie wel.

Hebben dieren een geestelijk leven en zo ja, hoe moeten we ons dat voorstellen? Ons enige vergelijkingsmateriaal is onze eigen geest en de enige manier om mentale processen te beschrijven is onze eigen taal. Antropomorfisme is de neiging het niet-menselijke als menselijk te beschrijven en te beoordelen. Het kan een belemmering zijn voor objectieve observaties van diergedrag. Maar het kan ook een voordeel zijn in het begrijpen van dat gedrag.[/wpgpremiumcontent]