Elke ochtend tegen negenen stort ik me in de file. De fietsfile welteverstaan. Met honderden anderen worstel ik me door Amsterdam, speurend naar gaatjes om de rijwielsliert te kunnen passeren.

TEST
Doe de test »

Is het tijd voor een nieuwe baan?

Ja, dat woon-werkverkeer van ons! Daarmee had de Engelsman die dit internationale onderzoek heeft opgezet niet gerekend, grijnst Gonneke Willemsen als ik, nog verhit van de fietstocht, haar werkkamer op de Vrije Universiteit betreed. Wanneer de proefpersonen van haar collega’s in Engeland en Hongarije in hun dagrapporten vermelden dat ze op zeker moment bezig waren met ‘reizen’, kun je er donder op zeggen dat de hartactiemeter bij hen op dat moment een rustig beeld oplevert. Maar het hart van een aantal Nederlandse proefpersonen vertoont dan juist regelmatig een enorme versnelling. Dat zijn dus de fietsforensen.

Ik sla een blik op de grafiek die Willemsen me toeschuift. Die geeft mijn eigen hartslag weer op een recente werkdag. En inderdaad, twee hoge pieken: eentje vlak voor negenen, eentje tegen zessen ’s avonds. Ook zie ik een avondgymnastiekpiekje om half elf. Plus een uitschieter om vier uur ’s middags.

Waar komt die laatste vandaan? Ik breek me het hoofd, tot ik het dagboekje dat ik die dag bijhield erop nasla. Ha, die discussie

over een fotosessie! Ik wond me zo op dat ik daarna een paar keer de trappen op- en af ben gerend om koffie te halen en iets in het magazijn te zoeken. Jammer dat ik niet kort daarna een van mijn zeven speekselmonsters van die dag moest produceren, denk ik spijtig. Het zou leuk zijn om na te gaan of de cortisol toen ook door mijn lijf gierde.

Watjes met spuug

Gonneke Willemsen is biologisch psychologe en ik ben even een van haar proefpersonen. Willemsen leidt het Nederlandse deel van het onderzoek Gezondheid en welbevinden onder werkende vrouwen, dat ook in Engeland en Hongarije draait. Om haar van gegevens te voorzien loop ik twee keer 24 uur lang rond met apparatuur die mijn hartactie registreert.

De eerste dag – een werkdag – heb ik er al op zitten. Vandaag krijg ik voor de tweede keer zeven plakelektrodes op mijn bovenlijf, zodat ik er ook nog een vrije dag mee kan rondlopen. Beide keren worden de gegevens vastgelegd in een kastje dat aan een gordel om mijn middel bungelt. Er steekt een bundel kabels uit die tussen mijn kleren verdwijnen. Behalve bij het aan- en uitkleden geeft dat geen problemen, maar toen ik op die eerste dag even de Hema binnenliep, voelde ik me ongemakkelijk. Zouden ze me daar niet voor zelfmoordterroriste aanzien?

Ook moet ik beide dagen een zak met wattenrolletjes en laboratoriumbuisjes bij me dragen, om op vooraf vastgestelde momenten een speekselproef te leveren. ‘Kauwen tot ze goed doordrenkt zijn’, luidt de instructie. De rolletjes worden straks uitgecentrifugeerd en iedere spuugdot onderzocht op het stresshormoon cortisol.

De wattenrol vooral niet aanraken!, zei ik die eerste dag steeds tegen mezelf. Dat zou de monsters immers kunnen vervuilen. Maar het blijkt best lastig zo’n rolletje met je tong in een buisje te manoeuvreren. Zeker wanneer je op weg naar een interview wilt voorkomen dat iedereen in de trein bekwijlde watten uit je mond ziet hangen.

En dan is er nog het dagboekje waarin ik bij elke bezigheid moet noteren wat ik denk en voel. Na afloop van beide meetdagen kan ik op basis daarvan een internetvragenlijst invullen. Tot op het kwartier nauwkeurig kan ik daar melden met welke activiteiten ik me 24 uur lang onledig hield en hoe mijn stemming daarbij was. In welke mate voelde ik me tijdens het werken/ winkelen/ wachten bijvoorbeeld competent/ dwarsgezeten/ bekritiseerd?

Je emoties ontleden

Dat ontleden van mijn gevoelens viel nog niet mee, zeg ik na mijn eerste ‘proefdag’ tegen Willemsen. Want hoe typeer je in vredesnaam je emotionele staat van zijn als je de was opvouwt? ‘Afwezigheid van enig affect’ staat niet bij de aan te geven emoties.

Duidelijker was het toen ik midden in de nacht per ongeluk een van de elektrodes losrukte. ‘Vloekend naar de badkamer’, meldt mijn dagboekje. Ik heb het incident in de internetvragenlijst dan ook apart vermeld, met hoge scores voor dwarsgezeten en gefrustreerd. En nee, geamuseerd en vriendelijk gestemd voelde ik me toen zeker niet. Maar gedeprimeerd? Angstig?

‘Ik hoor vaker dat het moeilijk is om je dag te beoordelen met deze Dag Reconstructie Methode,’ zegt Willemsen. ‘Sommigen mensen hebben liever een open dagboekje, waarin ze in eigen bewoordingen kunnen aangeven hoe ze zich voelen. Maar dat maakt de meetgegevens weer lastig vergelijkbaar.’

Een ander probleem is dat veel mensen zich na afloop niet meer goed voor de geest kunnen halen hoe ze zich op een bepaald moment precies voelden. ‘Dat zou je kunnen oplossen door je proefpersonen een paar keer per dag, bijvoorbeeld via hun mobieltje, te vragen wat ze op dat moment precies doen en hoe ze zich voelen,’ weet de onderzoekster. ‘Maar dan zijn ze dáár de hele dag mee bezig, dat beïnvloedt de uitkomsten ook. Al met al is de wetenschap er nog niet uit wat de beste methode is om te onderzoeken hoe mensen zich bij hun dagelijkse activiteiten voelen.’

Onvoldoende fulltimers

Ondertussen is dat wél wat Willemsen en haar Britse en Hongaarse collega’s momenteel proberen te achterhalen: hoe werkende vrouwen zich bij hun diverse bezigheden voelen, en hoe dat zich verhoudt tot hun stressniveau en hun hartactie.

Bij mannen is daar al behoorlijk veel onderzoek naar gedaan, vertelt de onderzoekster; zo weten we inmiddels dat een fijne baan voor hen vaak al voldoende is voor een algeheel geluksgevoel. Maar over de relatie tussen werk en welbevinden bij vrouwen is nog maar weinig bekend. Wordt de gemiddelde vrouw óók gelukkig van een baan? Hoe uitgeput voelt ze zich na een werkdag, en trekt ze snel bij na een uurtje lezen of sporten? Is dat ook terug te zien in haar hartslag en cortisolproductie? En: herstellen werkende moeders net zo makkelijk van stress als vrouwen zonder kind?

Om dat vast te stellen, moesten de onderzoekers dus op zoek naar vrouwen met een baan. Een fulltime baan, anders zouden ze te veel onvergelijkbare gegevens verzamelen. In Engeland en Hongarije vormde die eis ook geen probleem; daar is fulltime werken onder beide seksen heel gebruikelijk, ook als er kinderen zijn. Maar vind in Nederland eens tweehonderd vrouwelijke proefpersonen met werkweken van veertig uur! ‘Zelfs als ze nog geen kinderen hebben, werken de meeste vrouwen hier parttime,’ verzucht Willemsen. ‘Ik heb dus gezegd dat ik alleen voldoende onderzoeksgegevens kon leveren als ik ook proefpersonen mocht gebruiken die 32 uur werken. Maar ook met die bijgestelde eis viel het me niet mee voldoende vrouwen te vinden. Ik heb er uiteindelijk 189 kunnen werven. Zo zie je maar weer, een internationaal onderzoek opzetten waarmee je in alle deelnemende landen goed uit de voeten kunt, is een kunst op zich.’

Voorspeller van depressies

Straks heeft Gonneke Willemsen van mij en 188 andere Nederlandse vrouwen met (bijna) fulltime banen een batterij gegevens over cortisolniveau, hartactie en gevoelsleven. Wat kan ze daarmee?

Wat we al langer weten, vat de onderzoekster eerst samen, is dat onze hartslag in rusttoestand doorgaans gekoppeld is aan onze ademhaling. Adem je in, dan versnelt je hartslag iets; adem je uit, dan vertraagt hij. ‘Maar bij aanhoudende stress valt die koppeling weg, dan gaat je hart versneld en in een eentoniger ritme slaan. Als je langere tijd achtereen gestresst bent, kan het gebeuren dat je hart ook in rust een eentoniger ritme slaat – alsof je lichaam permanent in de startblokken staat voor een spurtje. Verlaagde hartslagvariabiliteit heet dat, en het geldt als een ongunstig teken. Het voorspelt bijvoorbeeld cardiovasculaire problemen. En, opvallend: het komt ook vaker voor bij mensen met een depressie.’

Wat dat samengaan van depressies en een verlaagde hartslagvariabiliteit precies verklaart, is nog onbekend. Sommige onderzoekers denken dat het ongunstige hartgedrag simpelweg een gevolg is van het slikken van antidepressiva. Maar, zegt Willemsen: ‘Eerdere metingen onder werkende vrouwen gaven aan dat moeders zowel qua stemming als hartslagvariabiliteit ongunstiger scoren dan vrouwen zonder kind. Dat doet vermoeden dat vrouwen met kinderen in alle opzichten toch minder goed kunnen bijkomen van hun werk dan mannen. Niet verwonderlijk, want je ziet dat zorgtaken nog altijd vooral bij hen terechtkomen. Mannen gaan weliswaar ook steeds vaker korter werken als er een kind komt, maar let maar eens op: terwijl vrouwen op hun “vrije” dag het huis een beurt geven, gaan mannen dan vaak leuke dingen doen.’

Gelukkig, vervolgt de onderzoekster meteen, lijkt haar huidige onderzoek een iets minder alarmerend beeld te gaan opleveren. ‘Uit de inmiddels geanalyseerde meetgegevens blijkt dat werkende moeders slechts een fractie ongunstiger scoren dan werkende vrouwen zonder kind.’ Behalve dan wanneer ze er alleen voor staan, want bij werkende moeders zonder partner vond Willemsen wel enige reden tot zorg: ‘Die scoren wél significant slechter. Hun hartslagvariabiliteit is ook in hun vrije tijd lager, én ze rapporteren minder positieve en wat meer negatieve gevoelens.’

Het gaat in dit onderzoek weliswaar om een heel kleine groep; slechts twintig van de 189 proefpersonen waren alleenstaande werkende moeders. ‘Maar ik denk toch dat we die groep een beetje in de gaten moeten houden,’ zegt Willemsen. ‘In ons onderzoek heeft geen van die twintig nog een klinische depressie, maar het is wel duidelijk dat daar niet te veel moet gebeuren of het gaat mis. Ik zou dat graag nog eens apart onderzoeken.’

Maar wat als uit zo’n vervolgonderzoek nou blijkt dat alleenstaande moeders massaal ziek worden van werken? De onderzoekster glimlacht. ‘Misschien komt er wel uit dat níét werken nog erger is. Gebrek aan geld en perspectief levert ook stress op.’

Meer werken, net zo gelukkig

En wat verwacht Willemsen van haar huidige onderzoek? Er moeten nog heel wat gegevens worden verwerkt, antwoordt ze voorzichtig. Maar één ding is al duidelijk: ‘Als we de alleenstaande moeders buiten beschouwing laten, lijkt het voor het geluksgevoel van de onderzochte vrouwen – moeder of niet – niet uit te maken of ze een vierdaagse of een vijfdaagse werkweek hebben. Het is dus níét zo dat vrouwen ongelukkiger worden naarmate ze meer werken. Maar ik denk dat dat samenhangt met het feit dat vrouwen in Nederland een grote keuzevrijheid hebben. Parttime werken is volstrekt geaccepteerd, dus je mag ervan uitgaan dat vrouwen met een forse baan daar ook bewust voor hebben gekozen. Ze kunnen het aan, ze vinden het leuk.’

En, vervolgt ze: laten we blij zijn dat we die keuzevrijheid hebben. ‘Momenteel heerst de stemming dat vrouwen massaal fulltime zouden moeten gaan werken, maar waarom? Als je de al bekende cijfers voor geluksniveau bekijkt, zie je dat Nederland het internationaal gezien erg goed doet. Misschien is ons anderhalfverdienersmodel voor de meeste mensen wel ideaal. En welbevinden is ook veel waard, toch?’

Daar denk ik nog eens over na als ik, opnieuw behangen met een meetkastje, terug naar huis race. Hoe staat het met de levenskwaliteit van deze bijna fulltime werkende moeder? Met een klein baantje zou ík beslist niet gelukkig zijn. Maar waarom haast ik me op mijn vrije middag naar huis om er nog een was door te jassen? Het stuur gaat om en ik peddel naar mijn favoriete cd-winkel. Het komende uur gaat alvast hoog scoren op ‘geamuseerd’ en ‘vriendelijk gestemd’.n