Midden in de nacht werd ik wakker. Het was herfstvakantie, bijna een jaar geleden, en de kinderen hadden een heerlijke dag gehad met vriendjes. Ik keek opzij om te zien hoe laat het was, maar de wekker deed het niet. Dat was raar. Ik hoorde een vreemd, knetterend geluid. Vanuit de slaapkamer liep ik de woonkamer in en ik zag direct dat het mis was. Er hing een soort mist in de kamer en rond de lamp zag ik vlammen uit het plafond komen. Op zo’n moment denk je maar één ding: eruit, wég hier.

Ik maakte meteen René wakker, mijn man, en samen haalden we de kinderen uit bed. We dachten er geen seconde aan om iets mee naar buiten te nemen, alleen de hond. Toen we buiten stonden, hoorden we de lamp vallen. Een harde klap, en we zagen hoe het vuur direct naar beneden sloeg.

Het stomme was dat we niet eens een telefoon bij ons hadden, daar denk je op zo’n moment niet aan. We liepen zo snel mogelijk naar René’s broer, in pyjama en op blote voeten. Hij woont honderd meter verderop. Pas daar konden we 112 bellen. De brandweer

[blendlebutto

was in een paar minuten ter plekke, maar kon niets meer doen. Ons heerlijke huis waar we al bijna twintig jaar in woonden, onze oude houten woonboerderij aan het eind van een doodlopend pad, aan de bosrand, helemaal vrij – er bleef niets van over.

René is nog teruggelopen naar het huis, ik ben in mijn eentje op een bankje gaan zitten. Ik kon het niet aanzien, ik vond het te confronterend. Er schoot van alles door me heen, ik dacht aan de stomste dingen. Een gek hoedje dat ik in Maastricht had gekocht met een vriendin, onze mooie lampjes, en natuurlijk alle foto’s… Allemaal weg. Ik had alleen nog maar de pyjama die ik op dat moment aanhad.

Later kreeg ik van de brandweer nog een zak met een paar fotoboeken, maar die durf ik nauwelijks open te maken. Alles is aangetast, nat en half verbrand. En verder is er niets meer. De babyfoto’s van onze drie kinderen, hun knutsels, mijn eigen jeugdfoto’s, het theeservies van mijn moeders oma, de kleren van toen we boerenbruidspaar waren met carnaval… We zijn alles kwijt. Het is haast niet onder woorden te brengen wat dat met je doet. Al die persoonlijke spullen die je nooit meer kunt vastpakken, kunt bekijken. Tastbare herinneringen zijn ineens niet meer tastbaar. Mijn hele wereld is in één keer verdwenen.
De eerste weken deed ik alles op de automatische piloot. Ik had echt hartenpijn, alsof ik een beetje was doodgegaan vanbinnen. Een dof gevoel in mijn hele lijf. Als de kinderen weg waren, kon ik alleen maar huilen. René en ik beleven het allebei anders, daar laten we elkaar vrij in. Onze prioriteit ligt bij de kinderen. Ik had veel steun van mijn vier zusjes en een paar goede vriendinnen. Die kon ik altijd bellen als ik verdrietig was.

Het eerste wat je in zo’n geval wilt is een plek waar je kunt wonen, zeker voor de kinderen. Naast het bedrijf van René en zijn broers stond gelukkig een huis leeg, van mijn schoonmoeder die vorig jaar is overleden. Een fijn huis hoor, maar het is niet hetzelfde als thuis. In mijn oude huis had ik een groot raam waardoor ik vaak naar de kinderen stond te kijken die buiten speelden. Of naar de reeën in de wei. Dat gemis van een eigen plek is niet te compenseren.
Aan de kinderen merk ik eigenlijk weinig; ze hebben gelukkig geen slaapproblemen. Wat helpt is dat ze goed zijn opgevangen op school, vooral door hun vriendjes en vriendinnetjes. Mijn zoontje had zelf 158 euro gespaard voor een iPod. Die wilde hij zo graag hebben. Dat geld was natuurlijk ook weg. Kinderen uit zijn klas hebben toen geld opgehaald door tekeningen te verkopen. Heel lief. Van veel mensen uit het dorp kregen we kleding en andere spullen, dat was hartverwarmend.

In het begin kon ik de puinhoop niet aanzien. De eerste keren zonk de moed me in de schoenen. Nu ga ik er bijna elke dag naartoe. We hebben daar in een ren nog twee honden die waken over de plek, dat is een reden om te gaan. In de schuur, die niet is afgebrand, heb ik een kleine hobbyruimte. Ik heb het fotograferen weer opgepakt, dat is fijn als afleiding. De grote notenboom staat er gelukkig ook nog, daar zat ik in de zomer altijd graag onder om uit te kijken over de weilanden. Het is nog steeds de plek waar ik me het meest thuis voel.
Na een tijdje ben ik weer gaan hardlopen, om mijn hoofd leeg te maken en structuur in mijn dag te brengen. Ik heb een vast rondje van acht kilometer door het bos. Na een paar minuten voel ik me dan wat lichter worden. Soms ga ik even langs het graf van “ons pap” – die is overleden toen ik elf was. Dat geeft me een beetje steun.

Omdat het nog wel anderhalf jaar kan duren voor we weer gaan bouwen, voelt het alsof mijn leven stilstaat. Ik mis de dingen van vroeger, die echt niet meer terug te halen zijn. Sinds de brand besef ik dat het leven dat je leidt zomaar over kan zijn. Ik heb meer waardering voor kleine dingen gekregen: spelletjes doen met de kinderen, het dansen van mijn middelste dochter, daar haal ik energie uit. Uiteindelijk zit geluk in jezelf, niet in een huis.
Vaak word ik nog om halfvier wakker. Dan pak ik een sjaal met wat parfum erop. Om aan te ruiken, het gevoel van even weg te kunnen kruipen. Dat is iets wat ik als kind ook al deed; op een vreemde manier geeft dat me troost. Het is een geluk is dat we er levend uit zijn gekomen, zonder brandwonden. Ik heb wel even gecontroleerd of de brandmelders in dit huis goed werken.’ //

[/wpgpremiumcontent]