De burgeroorlog in Darfur heeft honderdduizenden mensen het leven gekost en meer dan drie miljoen burgers op de vlucht gejaagd. Schattingen van het aantal doden lopen uiteen van 50.000 tot 400.0000. Zowel de rebellen als de Arabische milities maken zich schuldig aan massamoord, verkrachting en plundering, en dat is alleen maar erger geworden sinds het officiële vredesakkoord van 2005. Toch weet het conflict niet de aandacht van politiek, media en publiek te vangen. Kijk naar uzelf: grote kans dat u nu ook liever doorbladert, in plaats van verder te lezen of naar helpdarfur.nl te surfen. Waarom komen we niet in actie?

Niet ieder leven telt

‘Natuurlijk zijn er politieke obstakels die ingrijpen bij genocide bemoeilijken,’ schrijft beslissingsdeskundige Paul Slovic, hoogleraar psychologie aan de University of Oregon. Maar volgens hem zijn de psychologische obstakels minstens even groot. In een paper dat hij afgelopen maand presenteerde op een wetenschapscongres in San Francisco probeert Slovic een verklaring te zoeken voor het feit dat sommige humanitaire rampen ons niet raken. Waarom is de laatste eeuw zo laks opgetreden tegen volkerenmoord? Hoe kan het dat de politiek zich keer op keer afzijdig houdt, en het publiek liever de andere kant op kijkt?

Mensen zijn niet in staat het lijden van zo velen op waarde te schatten, denkt Slovic. Ons brein zou er simpelweg niet op zijn gebouwd. Volgens Slovic neemt het belang van een enkel mensenleven af naarmate er meer levens op het spel staan. Wanneer je één persoon weet te redden, voel je je geweldig. Maar, zegt Slovic: ‘We voelen ons niet anders of we nu 87 of 88 levens redden.’

Om zijn punt te ondersteunen, haalt Slovic onderzoek aan waarin mensen werd gevraagd hoeveel levens medisch onderzoek zou moeten redden om tien miljoen dollar subsidie te krijgen. Hieruit bleek dat de proefpersonen liever 9000 mensen redden wanneer er 15.000 op het spel staan, dan 100.000 wanneer er 290.000 mensen gevaar lopen – terwijl er in het laatste geval meer dan tien keer zoveel levens worden gespaard.

Geefbereidheid

Paul Slovic zegt dat we een individu – in tegenstelling tot een groep – als een psychologische eenheid zien, waardoor informatie over individuen beter tot ons doordringt. Daardoor voelen we meer compassie met individuele slachtoffers, en zijn we sneller bereid om hen te helpen.

Dat individuele slachtoffers eerder onze aandacht trekken, is een bekend fenomeen, schrijft Slovic. Neem bijvoorbeeld de Irakese jongen Ali Abbas, voor wie 275.000 dollar werd ingezameld aan medische zorg nadat hij zijn armen was kwijtgeraakt tijdens een raketaanval die zijn hele familie het leven kostte.

Een identificeerbaar slachtoffer vergroot inderdaad de geefbereidheid, zegt René Bekkers, die aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet naar filantropie. ‘Je hoeft een slachtoffer maar een naam te geven, en het helpt al. We zijn opgegroeid in kleine groepen en hebben daardoor meer oog voor de vragende ogen van onze naaste dan van een grote groep anonieme individuen.’ Slovic deed een experiment waarin mensen werd gevraagd vijf dollar te geven aan het goede doel. In de eerste conditie werd een zevenjarig meisje beschreven, de straatarme Rokia, aan wie de gift ten goede zou komen. In de tweede werd statistische informatie gegeven, bijvoorbeeld dat voedseltekorten dreigden voor drie miljoen kinderen in Malawi. In de derde conditie werd de statistische informatie gekoppeld aan Rokia, om de cijfers een gezicht te geven. Wat bleek? Mensen doneerden veruit het meest aan het individuele meisje Rokia.

Zelfs wanneer je mensen erop wijst dat ze geneigd zijn meer aan individuen te geven dan aan groepen, maakt dit weinig verschil. Uit onderzoek van Slovic bleek dat mensen die zich bewust zijn van dit effect vervolgens wel minder geven aan individuen, maar niet meer doneren aan ‘statistische slachtoffers’. In totaal wordt dus nog minder geld ingezameld.

Meer hulp aan identificeerbare slachtoffers

Volgens socioloog René Bekkers speelt het ook een rol dat je bij een identificeerbaar slachtoffer het idee hebt dat je met je hulp een verschil kunt maken: ‘Dat je gift geen druppel is op een gloeiende plaat.’ Dat brengt hem op een andere factor die van invloed is op donaties, namelijk de oplosbaarheid van het probleem. Is dat misschien een verklaring waarom de ene humanitaire ramp ons tot actie aanzet en de andere niet?

Neem de tsunami. Ook daarbij kwam een massa mensen om. Toch werd een recordbedrag aan giften bij elkaar gehaald. Mensen stonden zelfs al met hun koffers klaar om af te reizen naar het rampgebied, om daar persoonlijk de handen uit de mouwen te steken. Bekkers: ‘Bij de tsunami kon je op de televisiebeelden zien dat het land weer kon worden opgebouwd. Dat is toch anders dan een dorre vlakte in Darfur.’

Ook de schuldvraag beïnvloedt donaties. Bekkers: ‘Wanneer je mensen vraagt wie volgens hen hulp verdient, kiezen ze voor onschuldige slachtoffers.’ Maar, nuanceert hij: ‘Het is niet zo dat natuurrampen hierdoor in de praktijk altijd de meeste giften opleveren, omdat daarbij duidelijker is dat de slachtoffers niets hadden kunnen doen om hun situatie te voorkomen. Vaak is dit iets dat mensen als rechtvaardiging achteraf gebruiken, als hun wordt gevraagd waarom ze niets hebben gegeven.’ Verder blijkt uit experimenten dat mensen meer geneigd zijn te geven als slachtoffers tot hun eigen groep, hun ingroup, behoren.

Wat er ook toe doet, is of je denkt dat je gift goed terechtkomt. Bekkers: ‘Veel mensen denken dat giften voor acties in ontwikkelingslanden, met name in Afrika, niet op de plaats van bestemming aankomen door corruptie.’ Hij concludeert: ‘Er is in ieder geval geen duidelijke relatie tussen de ernst van de situatie en het geefgedrag’.

Verre en nabije doden

Maar de belangrijkste factor die geefbereidheid verklaart, is volgens charitasdeskundigen de hoeveelheid media-aandacht die een ramp krijgt. Want: wat niet weet, wat niet deert. Het Rode Kruis vroeg daarom eind vorig jaar in zijn jaarlijkse World Disasters Report aandacht voor zogenaamde ‘stille rampen’ – kleinere en meer structurele rampen, zoals de hongersnood in Malawi, die er qua media-aandacht en giften bekaaid van afkomen. ‘Misschien zijn deze rampen niet sexy genoeg,’ probeert een woordvoerder in Dagblad de Limburger de geringe interesse te verklaren. ‘Waarom dat is, is moeilijk te zeggen. Misschien zijn er minder goede beelden te maken of is de locatie van een ramp niet interessant genoeg. Het verschil in aandacht voor orkaan Katrina in de vs en de orkaan Stan een poosje later in Guatemala was enorm.’

De nieuwsfactorentheorie biedt inzicht in dat verschil, zegt hoogleraar communicatiewetenschap Klaus Schönbach van de Universiteit van Amsterdam. De theorie van Johan Galtung en Marie Holmboe Ruge stamt uit de jaren zestig, maar is nog steeds actueel. ‘Nieuwsfactoren zijn kenmerken die een gebeurtenis voor journalisten interessant maken,’ legt Schönbach uit. Zo maakt een ramp meer kans op televisie te komen als we bekend zijn met de slachtoffers ervan (orkaan Katrina), als er beroemde mensen bij betrokken zijn (Bono die zich inzet voor Afrika), en als de ramp onverwacht is (een vliegtuig dat neerstort op de Bijlmer). De nieuwsfactoren compenseren elkaar. Grof gezegd: wanneer er iets gebeurt in een land waarmee we weinig bekend zijn, moeten er veel doden vallen, wil het onze aandacht trekken.

William Adams maakte in 1986 een analyse van het aantal minuten dat Amerikaanse zenders besteedden aan buitenlandse natuurrampen. In zijn conclusie in de Journal of Communication schrijft hij: ‘De dood van één westerling staat gelijk aan die van drie Oost-Europeanen, negen Latijns-Amerikanen, elf mensen uit het Midden-Oosten en twaalf Aziaten.’

Drie minuten zendtijd

Wanneer we de theorie van Galtung en Ruge toepassen op het verschil in aandacht voor de tsunami en de crisis in Darfur – in Amerika kreeg Darfur in 2005 bijvoorbeeld drie minuten zendtijd van cbs – dan lijkt het duidelijk waarom de laatste het onderspit moet delven. Schönbach: ‘Thailand kennen we, daar gaan we op vakantie. Darfur is voor veel mensen toch ver van hun bed. Het is geografisch noch cultureel nabij.’

Wat natuurrampen ook voor hebben op oorlogen is dat ze eenduidiger zijn, meent Schönbach. ‘Bij Darfur is het niet zo gemakkelijk te zeggen wat oorzaak en gevolg is, wie schuld heeft en wie niet.’ Verder speelt voor de berichtgeving volgens Schönbach het tijdbestek waarin een ramp zich voltrekt een rol. ‘Bij Darfur weten media minder goed wanneer ze erover moeten berichten. Het is iets wat zich voortsleept, een tsunami heeft een duidelijk begin en einde.’

Maar al is media-aandacht belangrijk, nuanceert René Bekkers, er zijn uiteindelijk ontzettend veel factoren die bepalen welk goed doel profiteert van de vrijgevigheid van donateurs en welk doel niet. ‘Ook schijnbare trivialiteiten doen ertoe. Spreekt de presentator van het televisieprogramma waarin om giften wordt gevraagd ons aan? Wordt het uitgezonden op een tijdstip dat we voor de televisie zitten?’

Indringende beelden

Als media-aandacht zo belangrijk is, zouden we dan eerder bereid zijn ons in te zetten voor Darfur als er een Sudanese Ali Abbas in het nieuws zou zijn? Beslisexpert Paul Slovic meent van wel. Hij schrijft dat de media nog niet genoeg hebben gedaan om Darfur net zo indringend en persoonlijk te brengen als de tsunami.

Communicatiewetenschapper Schönbach is het daar maar ten dele mee eens. ‘Je kunt een ramp natuurlijk nieuwswaardig presenteren door bijvoorbeeld indringende beelden te tonen. Ik denk inderdaad dat dat bij Darfur nog niet voldoende is gebeurd.’ Maar, zegt Schönbach, journalisten maken nieuwskeuzes niet voor niets. ‘Ze verschillen weinig van hun lezers.’ Er kan dus best iedere dag een extra journaal worden uitgezonden over Darfur. Maar het is maar de vraag of u zou kijken.[/wpgpremiumcontent]