1. Kies niet voor één groot gesprek waarin je ‘alles’ over de bloemetjes en de bijtjes uit de doeken doet. Meerdere korte gesprekken zijn effectiever.

2. Laat je niet afschepen. Omdat ze zich ongemakkelijk voelen, zeggen kinderen soms dat ze het allemaal wel weten. Reageert jouw kind zo, laat het dan uitleggen wat bekend voor hem of haar is en vul aan waar nodig.

3. Wacht niet tot jouw kind zelf vragen stelt. Vaak wacht een kind tot jij over seks begint! Er zijn genoeg aanknopingspunten om dat te doen: soaps, muziekclips, tijdschriften…

4. Praten over seks leidt niet tot seks. Iets waar volgens Boynton ouders vaak bang voor zijn. Wees gerust: uit onderzoek blijkt dat hoe meer je erover praat, hoe later kinderen het uitproberen. En als ze dan beginnen, gebruiken ze vaker voorbehoedsmiddelen en genieten ze er meer van.

5. Doorverwijzen mag. Ouders denken vaak dat ze alle seksuele onderwerpen moeten behandelen, maar vaak willen kinderen bepaalde dingen juist níét van hun ouders horen – zoals verhalen over hun eigen seksleven. Bespreek basisinformatie en verwijs verder naar ­andere bronnen.