Er was eens een arme oude boer. Hij had zijn hele leven hard gewerkt op zijn stukje land, dat net genoeg opbracht om er met zijn familie van te leven. Nu was het weer dit jaar uitzonderlijk gunstig geweest, en het graan stond hoog op de velden. In het theehuis sloegen zijn buren de oude boer op de schouders: wat had hij een geluk, dat zou zeker een mooi bedrag opleveren! De boer haalde alleen zijn schouders op en zei: ‘Misschien.’

De avond voordat de oogst binnen­gehaald zou worden, werd het dorp opgeschrikt door een dreunend gestamp. Een kudde wilde paarden kwam over de heuvels naar beneden gegaloppeerd en vertrapte de halmen van de arme boer.

’s Avonds in het theehuis dromden zijn vrienden en buren om hem heen: ze zetten een borrel voor hem neer, en riepen dat hij wel heel veel pech had gehad. Maar de man haalde alleen zijn schouders op en zei: ‘Misschien.’

De volgende dag bij zonsopkomst sloop de zoon van de boer voorzichtig naar het vertrapte veld, en slaagde erin een van de paarden te vangen. ‘Je bent een mazzelaar,’ vonden zijn vrienden in het theehuis; ‘zo’n paard is zeker drie keer de opbrengst waard van jouw stukje land. Wat heb jij een geluk gehad!’ ‘Misschien,’ antwoordde de boer, en ging naar huis.

De mens is een onzekerheidsschuw wezen. Hij doet krampachtig zijn best om controle te krijgen over zijn kleine leventje, en als alles een tijdje goed gaat, beschouwt hij dat als zijn eigen verdienste. De waarheid is natuurlijk dat niets zeker is. Want toen de zoon de volgende dag probeerde om een van de paarden zadelmak te krijgen, wierp het dier hem tegen de grond, en hij brak zijn been.

Het laat zich raden hoe het ging in het theehuis.

Een maand later raakte het keizerrijk in oorlog, en alle jonge mannen werden opgeroepen voor het leger. Alleen de zoon van de arme oude boer kon onmogelijk meevechten – hij zat immers nog altijd thuis met een gespalkt been.

Of de boer en zijn zoon nog lang en gelukkig leefden? Precies. U leert het al.