‘Openstaan voor wat het leven ons brengt, daar zijn we verschrikkelijk slecht in,’ zegt existentieel psycholoog Siebrecht Vanhooren.

Training

Training Van angst naar lef

  • Leer hoe angst in je lichaam en brein werkt
  • Maak een persoonlijk stappenplan voor het overwinnen van angsten
  • Met technieken om paniekgevoelens weg te nemen
Bekijk de training
Nu maar
€ 45,-

Volgens hem komt dat door de illusie van controle over ons bestaan: we beseffen liever niet hoe fragiel ons geluk en welzijn eigenlijk zijn.

‘Als we cijfers zien over sterfgevallen door kanker gaan de meesten van ons ervanuit niet bij de pechvogels te horen. Het is een menselijke reflex om onszelf niet tot de kwetsbaren te rekenen.’

Zelf is hij zich al van kinds af aan bewust van zijn kwetsbaarheid. Als kleine jongen werd hij gekweld door nachtmerries waarin hij werd verpletterd tussen het plafond en de vloer of in brand stond.

Die nachtmerries hadden te maken met zijn kortademigheid, waardoor hij vaak dacht te stikken. ‘Bijna mijn hele lagereschooltijd werd getekend door die doodsangst. Ik heb er een gevoeligheid voor het lijden van anderen aan overgehouden. Mede daardoor koos ik voor de existentiële psychologie.’

Deze relatief onbekende tak van de psychologie houdt zich bezig met hoe mensen omgaan met uitzonderlijk heftige omstandigheden en existentiële crises.

Wat is een existentiële crisis?

‘Iedereen kent wel de ervaring dat ingrijpende gebeurtenissen vragen oproepen die het leven van alledag overstijgen. Beteken ik wel iets voor anderen? Wat is wezenlijk in mijn leven?

Meestal zijn we dan geneigd snel terug te keren naar de orde van de dag: te confronterend. Maar er zijn ook situaties waarbij we niet meer terug kúnnen: het sterven van een kind, een onbegrijpelijk ontslag, slachtoffer worden van verkrachting.

Gebeurtenissen die ons zo door elkaar schudden, dat het niet lukt om ze aan de kant te schuiven. Dat noemen we existentiële crises: ze dwingen je om je leven en de zin van het bestaan met andere ogen te bekijken.’

Het lijkt erop alsof we zo’n crisis nu op collectief niveau meemaken. Of vindt u dat overdreven?

‘Zeker niet. Voor veel mensen betekenen de coronapandemie, de klimaatcrisis en de oorlog in de Oekraïne een breuklijn: ineens realiseren ze zich dat ze niet zo veilig en onkwetsbaar zijn als ze altijd dachten.

Mijn grootouders hebben de Eerste én de Tweede Wereldoorlog meegemaakt: zij moesten zich van jongs af aan verhouden tot onveiligheid en dreiging. Voor ons is dat betrekkelijk nieuw.’

Hoe beïnvloedt dat besef van onveiligheid en dreiging de manier waarop we in het leven staan?

‘Opeens is het geen abstracte gedachte meer dat alles plotseling anders kan worden. Denk aan de enorme bosbranden en de overstromingen afgelopen zomer.

De gruwelijke oorlog dichtbij: iets wat we in Europa bijna niet meer voor mogelijk hielden, en die ook directe gevolgen heeft voor onze eigen energierekening, waardoor je je afvraagt of je straks het eind van de maand nog haalt.

En in de coronapandemie staan voor- en tegenstanders van vaccineren lijnrecht tegenover elkaar. Die polarisatie, die zich ook tot andere terreinen uitbreidt, zet zelfs goede vriendschappen en familierelaties onder druk.

Ons vertrouwde mens- en wereldbeeld lijkt daardoor te verbrokkelen. Dat kan existentiële angst oproepen: wat voorheen belangrijk en stabiel was, lijkt ineens futiel en fragiel. Dat is iets dat we steeds vaker voelen: iets waarvan je wakker kunt liggen.’

Helpt het dat we dat allemaal ervaren?

‘Niet echt. Hoewel het besef dat we in een soort kantelperiode leven breed wordt gedeeld, zijn de twijfel, angst, onzekerheid en wanhoop die bij existentiële angst horen, gewaarwordingen die we meestal in ons eentje meemaken.

Dat kan je immens eenzaam maken. Je voelt je onzeker, omdat je geen grip meer hebt op je bestaan. Daardoor kun je aan alles gaan twijfelen, ook aan jezelf.

Vooral het betekenisverlies dat mensen ervaren na gebeurtenissen die hun leven totaal op z’n kop zetten, roept angst op: kan ik de mensen of de instanties waar ik waarde aan hechtte nog wel vertrouwen? En ben ik zelf nog wel wie ik dacht te zijn?’

Waarom is juist dat verlies van betekenis zo ingrijpend?

‘We hebben het nodig dat onze omgeving enigszins voorspelbaar is: dat onze straat veilig is, dat de mensen waarmee we samenleven er morgen ook nog zijn, dat we instanties kunnen vertrouwen en dat wat we doen belangrijk is.

Als dat verwachtingspatroon overhoop wordt gegooid, kan dat ons bestaan op een basaal niveau op losse schroeven zetten. Behalve het vertrouwen in anderen, verliezen mensen daardoor vaak ook het vertrouwen in zichzelf.

Ze herkennen hun eigen emoties bijvoorbeeld niet meer. Ze begrijpen niet waarom hun lichaam anders op spanningen reageert dan voorheen.

Iemand die zich deze zomer ineens realiseerde wat de impact van de klimaatverandering kan zijn, vertelde me: “Ik ben zo bang, dat ik mijn angst niet meer kan reguleren.” Zijn zelfbeeld, dat hij zichzelf altijd onder controle had, had plotseling een deuk gekregen.’

U zegt dat we de angst die ingrijpende crises bij ons oproepen, vooral niet moeten wegmoffelen.

‘Elke existentiële crisis is, naast beangstigend, ook een soort wake-up call: een uitnodiging tot het stellen van diepgaande vragen waar je normaal niet bij stilstaat.

Zo weten we dat mensen die hun dood onder ogen durven te zien, tevredener terugkijken op hun leven en minder doodsangst hebben. Hoe gek het ook klinkt, het besef dat je sterfelijk bent, maakt dat je je eindige leven meer gaat waarderen.

Dat je bewustere keuzes maakt en je leven ook bewuster beleeft. Daardoor hebben mensen die durfden stil te staan bij hun sterfelijkheid, vaker een leven geleid dat betekenisvol voor hen is.

In die zin kunnen de klimaat- en de coronacrisis ook een kans zijn om te ontdekken wat echt waardevol voor ons is: omdat we daardoor in contact komen met de fragiliteit van ons bestaan.

Maar er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar de psychologische gevolgen van collectieve existentiële crises. We weten meer over hoe mensen reageren op heftige gebeurtenissen in hun persoonlijke leven.’

Wat is de meest opmerkelijke conclusie uit die onderzoeken?

‘Dat bij zo’n 80 procent van de mensen die een traumatische gebeurtenis hebben meegemaakt, het leven uiteindelijk in positieve zin verandert. Dat betekent niet dat ze geen pijn meer hebben.

Vaak zouden ze ook nog steeds het liefst willen terugdraaien wat hen is overkomen. Maar ze maken daarna vaak andere keuzes, waardoor ze het gevoel hebben een authentieker leven te leiden en zich sterker verbonden te voelen met anderen.

Posttraumatische groei noemen we dat. Mensen die dat ervaren, hebben meestal ook meer veerkracht om volgende stormen in hun leven te doorstaan, laat onderzoek zien.’

Betekent posttraumatische groei dat je je leven radicaal omgooit?

‘Er zijn CEO’s die plots bio-boer worden of popmuzikanten die het klooster ingaan. Dat zijn de verhalen die de media halen.

Vaker gaat het echter om minder in het oog springende veranderingen: dat je wat trager gaat leven, meer waarde hecht aan vriendschappen, vaker bij je ouders langsgaat of een wandeling in de natuur meer waardeert. Juist door het besef dat het leven fragiel is, ga je kleine dingen meer appreciëren.

Posttraumatische groei heeft twee kanten: aan de ene kant het besef van de kwetsbaarheid en onvoorspelbaarheid van het bestaan. Aan de andere kant weten dat je toch iets kunt betekenen. Je hebt het overleefd, je kunt het aan en kunt keuzes maken in je leven.’

Er hangt ook iets krampachtig positiefs rond ‘posttraumatische groei’. Mij lukt het niet om het plotselinge overlijden van mijn man als een zinvolle gebeurtenis te zien.

‘Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen posttraumatische groei en het populaire idee van silver lining: achter de wolken schijnt altijd de zon.

Dat laatste betekent vaak een ontkenning; het niet willen zien van de ernst van de situatie, van de tragedie. Zo van: je moet proberen positieve lessen te trekken uit wat je is overkomen.

Als je kind sterft of je partner pleegt zelfmoord, betekent dat puur lijden. Zo’n gebeurtenis kun je met geen mogelijkheid zinvol noemen. Dat betekent niet dat er daarna geen posttraumatische groei mogelijk is.

Die groei ontstaat namelijk niet door het verlies zelf, maar juist door de worsteling daarmee: door de pijn, de ontreddering en het gevoel van zinloosheid tot in je tenen te durven voelen.

Die fase is heel naar, maar essentieel. Pas daarna kun je ervaren dat er ook nog een waardevol leven bestaat, naast de pijn.’

Is dat iedereen gegeven?

‘Als mensen na een periode van rouw geleidelijk weer een soort basisveiligheid gaan voelen, wordt het makkelijker om diep naar binnen te kijken en erachter te komen wat er voor hen wezenlijk toe doet.

De meeste mensen hebben daar hulp van anderen voor nodig, blijkt uit onderzoek. Dat kan een psychotherapeut zijn, maar ook een buurvrouw die je een kop soep brengt. Of een vriendin die zegt: “Kom maar bij mij slapen als je bang bent.”

Maar het helpt vooral als iemand je pijn kan aanhoren en helpt om daar woorden voor te zoeken. Voor mensen die dichtbij staan is dat vaak lastig.

Omdat de heftige gevoelens die je in zo’n existentiële crisis ervaart, ook angst bij hen oproepen: “Als dit met mijn beste vriendin gebeurt, kan mij dat misschien ook overkomen.”

Dat leidt vaak tot sussen en het bagatelliseren van de angst. Of tot het opperen van allerlei oplossingen. Dat zijn vormen van zelfbescherming, die meestal niet helpend zijn.’

Zijn professionele hulpverleners daar beter in?

‘Vaak niet, helaas. Uit onderzoek blijkt dat de meerderheid van de psychologen en psychotherapeuten niet weet hoe ze met existentiële vragen om moet gaan. Vaak voelen ze zich daardoor overdonderd.

Terwijl we inmiddels ook weten dat mensen die lijden aan psychische aandoeningen als depressie en suïcidaliteit, meestal ook worstelen met vragen over zingeving: ze hebben bijvoorbeeld meer last van gevoelens van zinloosheid, eenzaamheid en doodsangst.

En ze worstelen met vragen als: waar leef ik voor? Voor wie zou ik mijn bed nog uitkomen?’

U traint therapeuten om dit soort levensvragen te herkennen en serieus te nemen. Hoe?

‘De kunst is om niet weg te lopen voor de pijn van cliënten. Om die te kunnen verdragen, moeten therapeuten ook durven stil te staan bij hun eigen kwetsbaarheden, bij dingen die ze misschien liever niet onder ogen zien.

Zelf heb ik moeten leren dat ik niet iedereen kan helpen. Dat klinkt absurd: natuurlijk ben je niet de beste therapeut voor iedere cliënt. Maar het vergde een heel leerproces om dat aan mezelf te kunnen toegeven.

Ook belangrijk is het zoeken naar woorden voor wat mensen in een crisis voelen. Dat samen zoeken naar woorden creëert een gevoel van veiligheid en erkenning bij cliënten.

De valkuil is dat therapeuten daarbij worden meegesleept door hun eigen ervaringen en daarover gaan vertellen. Dat is juist niet de bedoeling.

Gedichten en metaforen werken vaak beter: voelt het misschien alsof je op een puinhoop staat en niets anders ziet dan rook?’

Welke vragen kan iemand zichzelf stellen om bij die diepere, existentiële laag te komen?

‘Vragen die ik mijn cliënten stel, zijn bijvoorbeeld: wat is voor jou de moeite waard om voor op te staan? Hoe zou je eigenlijk willen leven? Waar is het jou nu om te doen? Waar wil je naartoe met jezelf?

Met dat soort vragen ga je snel de diepte in. Die vragen kun je jezelf ook stellen. Maar ze kunnen je ook overspoelen. Daarom is het belangrijk dat je contact blijft houden met de mensen die je dierbaar zijn, met de natuur of wat je ook bindt met de wereld om je heen.

Wie zich verdiept in thema’s als zingeving, zinloosheid en sterfelijkheid kan makkelijk meegetrokken worden in een gevoel van eenzaamheid: een gevoel van “niet verbonden” zijn. Juist daarom is het goed om je ook steeds bewust te zijn van de ankers die je nog steeds hebt in je leven.’

Hoe heeft u de doodsangst overleefd die u als jongetje kwelde?

‘Mijn ouders brachten me naar een pater die was aangesteld voor hulp aan hopeloze gevallen. Hij was heel warm, kon met mijn angst meevoelen en straalde ook vertrouwen uit. Daarna hielden mijn nachtmerries plotseling op.

Omdat ik al op jonge leeftijd doodsangst had, ben ik me nog altijd zeer bewust van mijn vergankelijkheid. En van wat me dierbaar is.

Als ik ’s morgens op de fiets stap, weet ik dat ik mijn vrouw en zoon misschien niet meer terugzie. Die gedachte verlamt me niet. Integendeel, het stimuleert me juist om extra te zorgen voor diegenen die me lief zijn.’

Siebrecht Vanhooren (1974) is als docent en onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep klinische psychologie van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen aan de KU Leuven.

Hij doet onder meer onderzoek naar posttraumatische groei en zingeving. Daarnaast werkt hij als psychotherapeut. Dit voorjaar (2023) verschijnt zijn boek Op de bodem. Existentiële thema’s in psychotherapie en begeleiding.