Hoeveel zintuigen hebben we? Een simpele vraag. Maar het antwoord is minder eenvoudig, zo leert een rondje langs neurologen en fysiologen van verschillende Nederlandse ziekenhuizen. ‘Vijf!’ roept de een. ‘Zeven!’ roept een ander. ‘Is dit een instinker?’ vraagt de laatste. De zintuigenkwestie blijkt een ingewikkelde zaak.

Volgens de klassieke opvatting van Aristoteles bestaan er vijf zintuigen: zien, horen, ruiken, proeven en voelen. Naast deze vijf klassiekers ontstond ook het idee van een ‘zesde zintuig’, dat paranormale verschijnselen als telepathie en helderziendheid zou moeten verklaren. Het bestaan van zo’n zesde zintuig is nooit bewezen en het telt dan ook niet officieel mee. Wél officieel zijn het evenwichtsgevoel, dat rotaties van het hoofd meet, en de proprioceptie, het vermogen om de stand van ons lichaam te bepalen. Dat zijn er in ieder geval al zeven.

En dan is er nog een aantal discutabele onderverdelingen. Zo pleiten sommige wetenschappers voor het opdelen van de tastzin in drie zelfstandige zintuigen: één voor het waarnemen van pijn, één voor temperatuur en één voor druk. Ook zijn er onderzoekers die vinden dat het waarnemen van fero­monen, niet bewust waarneembare ‘lokstoffen’, een apart zintuiglijk vermogen is – terwijl anderen vinden dat dat een onderdeel is van het ruiken.

Voor dit artikel interviewden we drie bijzonder geoefende waarnemers. Twee van hen kunnen niet zien – een omstandigheid die hen ertoe aanzette een ander zintuig te ontwikkelen. Het verhaal van drie mensen met bijzondere sensorische gaven.

Een flink gebouw hoor ik honderd meter van tevoren

Daniel ‘ziet’ door echolocatie

Daniel Kish (42) fietst graag door Los Angeles en wandelt in zijn eentje in de bergen. Toch is hij volkomen blind. ‘Zien’ doet hij door middel van echolocatie. Met zijn tong maakt hij klikgeluidjes en de echo vertelt hem waar hij heen moet.

Ik heb echolocatie als alternatief voor het zien al heel jong uitgevonden. Ik was een jaar of twee toen ik in mijn handen klapte en ontdekte dat het geluid anders klonk als ik dichtbij een muur stond dan bij een paaltje. Al gauw klom ik in mijn eentje over het tuinhek om te ontdekken wat die interessante objecten waren die ik steeds hoorde in de weerkaatsing van het geluid. Toen ik iets ouder was, klauterde ik graag in bomen. Dan maakte ik klikgeluidjes en hoorde de daken van de huizen om me heen antwoorden. Prachtig. Daarna klom ik nog hoger, net zo lang tot ik alleen nog maar takjes hoorde. Een bijna doorzichtige echo.

Mijn vrienden noemen mij Batman; ik klik de hele dag door. Constant scan ik mijn omgeving af. Als ik loop, maak ik zo’n twee klikjes per seconde en dat levert veel meer informatie op dan het gezwaai met een blindenstok. Een vlaggenmast hoor ik bijvoorbeeld op één meter afstand. Een brandweerpaaltje op drie, een auto op vijf en een flink gebouw neem ik al honderd meter van tevoren waar. Aan de weerkaatsing van een geluid kan ik de dichtheid van een object bepalen. Sommige materialen hebben een hoge dichtheid en weerkaatsen veel geluid, terwijl andere materialen geluid meer absorberen. Op basis van de absorptiegraad gok ik waarmee ik van doen heb. Als ik hoor dat iets smal, lang en solide van onderen is en aan de bovenkant breder en meer absorberend van boven, kan ik op twee vingers natellen dat het een boom is. Details kan ik natuurlijk niet waarnemen. Ik hoor geen verschil in echo tussen een Landrover of een Chevrolet, maar dat hoeft ook niet. Het gaat erom dat ik zelfstandig kan zijn.

Dat ik mijzelf zo goed heb leren redden, heb ik te danken aan mijn ouders. Als baby kreeg ik een hersentumor waardoor ik blind werd, maar mijn ouders hebben mij nooit als blind kind opgevoed. Ik werd niet betutteld of beschermd omdat ik niks kon zien. Mijn handje werd niet vaker vastgehouden dan dat van een ander kind. Dat klinkt hard en onverantwoordelijk, ik ben vast ook heel hard gevallen, maar het bleek een prima manier om aangeleerde hulpeloosheid te voorkomen. Ik geef cursussen echo­locatie aan blinden en merk dat veel van hen niet goed genoeg geleerd hebben om op eigen benen te staan. Als ik lesgeef, betrek ik daarom ook altijd de ouders erbij. Het is belangrijk dat zij hun kind zelf laten aanmodderen. Laat het rustig stuntelen en proberen, dat is moeilijk in het begin maar levert uiteindelijk meer op.

Ik denk dat iedereen in staat is tot echolocatie. Het is net als met muziek: sommige mensen hebben meer aanleg dan anderen maar als je genoeg oefent en gemotiveerd bent, kun je best een fiedeltje leren spelen. Ik heb nog nooit iemand getraind die het niet kon leren. Een gemiddeld blind kind kan in twee, drie dagen de basistechniek leren. Daarna is het een kwestie van uren maken.

www.worldaccessfortheblind.org

‘Ik ben heel scherp op dennengeuren’

Henny is een van Nederlands beste ‘neuzen’

Henny de Hoog doet de hele dag niets anders dan ruiken: hij is ‘neus’ bij International Flavours & ­Fragrances in Tilburg. Dit bedrijf maakt geurstoffen voor allerhande producten. Van parfum tot wasmiddel, het komt onder de neus van De Hoog vandaan.

Ik kan goed ruiken, maar ik ben helemaal niet zo ruikerig van huis uit. Dat ik “neus” ben, is per ongeluk ontstaan. Via via kwam ik jaren geleden terecht in een parfumfabriek. Daar deed ik min of meer voor de grap een geurtest en bleek dat ik goed kon ruiken. Althans, ik had aanleg om goed te leren ruiken. Ongeveer 5 procent van de mensen is een potentiële “neus”. Ze kunnen geuren goed omschrijven en – minstens zo belangrijk! – ze hebben een goed geurgeheugen. Ze kunnen een geur ruiken en die in hun hoofd met een andere geur vergelijken. Ik had dus ook aanleg en besloot in opleiding te gaan. Het duurt vijf à zes jaar voordat je een volwaardige “neus” bent. Het begin van mijn geurcarrière was zwaar. Probeer zelf maar eens in een parfumeriezaak een paar geurtjes te vergelijken. Na het derde geurtje kun je stoppen. Als novice had ik na tien minuten koppijn en moest ik naar buiten. Maar een “neusconditie” bouw je snel op en inmiddels kan ik prima acht uur achter elkaar ruiken.

Mijn werk bestaat uit het keuren van geuren. Een fabrikant van wasmiddelen wil dat al zijn pakken poeder hetzelfde ruiken en ik moet daarvoor zorgen. Concreet betekent dat dat ik monsters van onze chemische afdeling vergelijk met het originele luchtje, de target. Als het niet perfect is, gaat het terug naar de productiejongens. Net zolang totdat het goed is. Er hangt nogal veel af van mijn oordeel: als ik een fout maak, betekent het al gauw dat er een miljoen pakken wasmiddel met de verkeerde lucht in de schappen liggen.

Mensen denken vaak dat mijn werk achterhaald is; je kunt toch zeker wel met geavanceerde technieken bepalen of een bepaald geurmengsel hetzelfde is als de target? Maar dat is niet waar. Een product kan chemisch volkomen identiek lijken en compleet anders ruiken. Omgekeerd kan een geur ook anders van samenstelling zijn en wél hetzelfde ruiken. Een andere moeilijkheid is dat verse geuren anders ruiken dan target-geuren die al een tijdje in de koeling staan. Als ik een verse lavendelolie moet beoordelen, schrik ik niet van een zweempje gekookte aardappel. Dat luchtje hoort nou eenmaal bij verse lavendel en verdwijnt na een paar weken vanzelf. Een computer zou zoiets nooit kunnen snappen.

Sommige ruikers hebben een blinde vlek voor bepaalde geuren. Ik ben een allrounder. Ik kan alle geuren goed ruiken, maar als ik toch een zwakke plek moet noemen, zijn het de zwakke houtsoorten. Een lage concentratie sandalwood of cederhout is niet mijn ding. Ik ben wél weer heel scherp op dennengeuren. Pijnboomextract; heerlijk!

Of ik privé nog iets doe met mijn neus? Je kunt je neus natuurlijk niet uitschakelen, dus ruiken doe ik altijd. Een gaslek ruik ik misschien ook wel eerder dan een ander, maar het is niet zo dat ik in mijn vrije tijd ga zitten pielen met geuren of smaken. Koken laat ik aan anderen over en ik ben ook niet kieskeurig met wat ze me voorschotelen. Ik doe trouwens ook nooit een geurtje op. Ik zit de hele dag al in een aromatische omgeving en ben blij als ik thuis wat rust aan mijn neus heb.

‘Het was alsof ik kon voelen zonder iets aan te raken’

Anna kan kleuren voelen

De Poolse Anna Rossa (24) is blind geboren, maar ze zegt kleuren en objecten enigszins te kunnen herkennen aan de frequentie van de lichtgolven. Dat is alleen verschrikkelijk moeilijk en het vreet energie.

Ik ben handig met een blindenstok, maar dat is voor mij niet voldoende. Ik wil meer. Ik wil zien! Een paar jaar geleden hoorde ik van de Bronnikov-methode. Die methode is ontwikkeld door een Russische arts en komt erop neer dat je jezelf kunt aanleren om trillingsfrequenties van objecten in je hoofd om te zetten in een beeld. Rood heeft een andere golflengte dan groen, en die golven kun je leren voelen.

Ik geloofde in eerste instantie niks van wat die Bronnikov te melden had, maar ik was wel zo nieuwsgierig dat ik een cursus ben gaan doen. In de eerste fase moest ik proberen visuele voorstellingen te ­maken in mijn biocomputer; een soort innerlijk projectiescherm in je hoofd. Ik raakte in paniek. Hoe kon ik nu weten hoe een “wit vierkant” eruitziet terwijl ik nooit heb kunnen zien? Een collega-cursist, ook blind, stelde me gerust. Ik moest blijven oefenen en dan zou het vanzelf komen. Net als persweeën bij een bevalling: je kunt je er van tevoren niks bij voorstellen, maar als het zover is, dan weet je het precies.

Ik oefende en oefende en na een poos veranderde er inderdaad iets. Het was alsof ik kon voelen zonder iets aan te raken. In de volgende fase moest mijn biocomputer leren om verbanden te leggen tussen verschillende vormen en kleuren in de buitenwereld en afbeeldingen die ik “zag” op mijn innerlijke scherm. Ik betastte gekleurde vellen papier, probeerde de trillingen te voelen en vertaalde die naar mijn innerscreen.

Ik oefende vaak met mijn moeder. Zij kan gewoon zien en kon goed instructies geven. Na een tijd lukte het me om een behoorlijke rij objecten na elkaar correct te identificeren. Dat was fantastisch! Helaas was het ook heel moeilijk. Het vrat energie. Na een paar identificaties was ik helemaal uitgeput en werden mijn prestaties minder.

Ook nu, een paar jaar later ben ik nog niet op het niveau dat ik zou willen hebben. Soms heb ik een goede dag en kan ik basisfiguren wel onderscheiden. Ik zal wel nooit het verschil kunnen opmerken tussen een blikje cola en een whiskyglas, maar het feit dat ik een cilinder van een vierkant kan onderscheiden is al heel bevredigend.

http://www.bronnikovmethod.com/

z De betekenis van levensverhalen. Theoretische beschouwingen en toepassingen in onderzoek en praktijk, Ernst Bohlmeijer e.a., (Bohn Stafleu van Loghum, € 39,50).

z Binnenkort verschijnt De verhalen die we leven, een nieuw boek van Bohlmeijer over de narratieve psychologie als methode (Boom, € 32,50).[/wpgpremiumcontent]