Maarten gaat vreemd. Lisa weet het sinds een maand, maar het was al langer aan de hand. ‘Een maand of vier, vijf,’ zegt Maarten. Ik kan zien dat hij liegt.

Maarten ontwijkt mijn blik terwijl hij spreekt en kijkt me daarna juist strak aan, zodat ik geen tijd heb om na te denken. Ik noteer de leugen in mijn achterhoofd.

‘En hoe is het verder met jullie?’ zeg ik nonchalant. Maarten, blij dat ik niet doorvraag: ‘We kijken naar een ander huis. Sinds de jongste ook studeert hebben we al die ruimte niet meer nodig.’

We bespreken de dagelijkse gang van zaken – althans, hoe die lang is geweest. Maarten werkt veel thuis en daarom kon hij altijd ‘net zo goed’ voor de kinderen zorgen.

Ja, Maarten had alle tijd van de wereld. Lisa heeft een topbaan op een ministerie. Ze is net gepromoveerd tot baas van de afdeling en moet nu nóg meer uren maken dan gewoonlijk.

‘Ik neem het mezelf zó kwalijk,’ zegt ze. Ze begint te huilen. Ze lijdt vanwege de gebruikelijke drogredenering dat partners vreemdgaan omdat hun relatie niet goed is. ‘Ik ben nooit thuis, al jaren niet. Dat stomme rotwerk…’ Ze snuit haar schuldgevoel krachtig in een tissue en gooit die in de prullenbak.

Maarten zit er met een uitgestreken smoel naar te kijken. Het valt hem mee, deze sessie. ‘Ik vond het altijd heel fijn om voor de jongens te zorgen,’ zegt hij. ‘Dat gaf vervulling. Maar nu ben ik toch wel zoekende.’

Daar gaan we weer. ‘Ik zoek mezelf’ klinkt beter dan ‘ik ben een onbetrouwbare geilaard’. Het is smoes nummer één uit het Grote Overspelboek. Het wordt tijd voor de waarheid in deze sessie: wat heeft het voor zin om te praten als niet iedereen eerlijk is? Als we niet kunnen praten over wat er écht speelt, zullen Maarten en Lisa elkaar nooit bereiken.

‘Je hebt jezelf jarenlang opzijgezet,’ zeg ik tegen hem. Hij knikt ernstig. ‘Voor jullie kinderen, maar ook voor Lisa, voor haar carrière. Ik vind dat mooi. Dat zie je niet vaak, zoveel altruïsme in een relatie.’

Maarten glimlacht, maar met een zenuwachtig trekje om de mond. Waar gaat dit heen? ‘We weten uit onderzoek dat altruïsme een schaduwzijde heeft,’ vervolg ik. ‘Ik bedoel: je moet toch ergens naartoe met je diepste gevoelens en gedachten. Een mens kan zichzelf niet voor de volle honderd procent inzetten voor anderen, voor het gezin. We hebben allemaal een uitlaatklep nodig en als je die thuis niet kunt vinden zoek je het elders. Functie elders, toch?’ Maarten lacht.

‘Hoe lang zit je al in de verdrukking?’
‘O, al jaren,’ zegt hij. Maarten zucht, het is fijn om je hart te luchten.
‘Gelukkig had je haar al die tijd.’
‘Ja, gelukkig,’ zegt hij.
Daar is-ie dan eindelijk, de waarheid.