De oprechtheid van mijn eigen geheugen kan ik tot op zekere hoogte checken. Een deel van mijn leven staat namelijk op schrift. Vanaf mijn 7e tot ver in de 20 schreef ik dagboeken.

Expert Douwe Draaisma over ons geheugen

Herinneringen zijn geen vaststaande feiten, zegt Douwe Draaisma. In zijn boek legt hij uit hoe we on...

Lees verder

Haast dwangmatig noteerde ik alles wat ik dacht en voelde in tientallen schriftjes, notitieblokken en dummies. Ik bekrabbelde desnoods bierviltjes. Soms pak ik ze er weer bij en dan schrik of lach ik verbijsterd om de kloof tussen herinnering en het verslag van de werkelijkheid.

Zo vertelde ik altijd hetzelfde verhaal over mijn eerste, echte liefdesrelatie. Daarin was ik naïef, goedgelovig en dus onschuldig. Tot ik de passages daarover herlas. Dat ik zelf tijdens die relatie een korte affaire had gehad, was ik voor het gemak vergeten. Daar moest ik even van slikken, maar verdere gevolgen voor mezelf had deze constatering niet.

Hoe anders is dat bij de mensen met wie ik werk. In de forensische psychologie speelt het geheugen een centrale rol. Iemands psychische toestand ten tijde van de misdaad is een belangrijk onderwerp en de herinnering daaraan dus ook.

Veel verdachten hebben belang bij het verbuigen van die herinnering. Soms om verwarder te lijken, hopend op strafvermindering. Maar meestal om juist gezonder te lijken uit vrees voor tbs.

Als psycholoog ben je dus altijd op je hoede voor leugens. Toen ik dit werk net deed, dacht ik dat ik vooral beducht moest zijn voor mensen die de boel doelbewust misleiden of geheugenverlies faken. En die zijn er ook zeker.

TEST
Doe de test »

Hoe goed is je geheugen?

Maar niet zelden moet ik juist beducht zijn voor wat er is gebeurd met het geheugen van mensen. Zoals bij hen die getraumatiseerd zijn geraakt door wat ze zelf hebben gedaan. Hun geheugen is aan flarden geschoten.

Anderen opereren in het schemergebied tussen liegen en het creëren van een eigen waarheid uit zelfbehoud. Dat wil zeggen: om nog met zichzelf te kunnen leven nadat ze, vaak impulsief, iets vreselijks hebben aangericht.

En er zijn mensen die in de herinnering aan wat ze hebben gedaan overdrijven uit een behoefte zichzelf te straffen. Zoals de 45-jarige bonk van een man die zo beschaamd was over zijn misdaad dat hij me nauwelijks aankeek.

‘Kijk, ik ben geen lieverdje,’ zei hij. Zijn strafblad ritselde inderdaad van de veroordelingen. Drugshandel, fraude. ‘Maar mijn liefje heb ik nooit een haar gekrenkt.’

Tot hij op een avond, na maandenlange ruzies en door drank en cocaïne ontvlamd, zijn vriendin voor een café doodschoot. Met zijn mond samengetrokken van zelfhaat, kwaad trekkend aan zijn sigaret, sprak hij over zijn daad als over die van een vreemde.

‘Vroeger las ik die dingen in de krant. Dan dacht ik: Die lafaard verdient levenslang! Nu blijk ik zelf net zo’n laffe hond.’ In zijn herinnering handelde hij zelfs koelbloediger dan uit de getuigenverklaringen bleek.

Wat hem betreft zat er maar één ding op: ‘Ik moet levenslang krijgen.’ Maar de rechter bleef gebonden aan de maximumveroordeling voor doodslag. Vijftien jaar.