Toen ik in 1958 ging studeren, waren er slechts zestig eerstejaars. De status van het vak was navenant laag, zeker in verhouding tot de overige geesteswetenschappen waar de psychologie toe gerekend werd (de term gamma-wetenschap kwam pas later in zwang). Mijn vader sprak van een ‘nog jonge wetenschap’ waarin zowel een voorzichtig optimisme als zijn twijfel over deze studiekeuze in doorklonk. Mijn vader was arts. De psychologie deelde haar jonge status met de sociologie, politicologie en agologie, het laatste een samenraapsel van sociaal-psychologische theorieën over sociale beïnvloeding. Agologie werd voor buitenstaanders kortweg omschreven als pedagogiek, maar dan voor volwassenen. Deze échte gamma-wetenschappen waren ondergebracht in de zogenaamde zevende faculteit (officieel: politiek/sociale faculteit, oftewel de PSF), een bolwerk van linkse jongeren en actievoerders. Na veertig jaar is de sociologie slechts weinig in aanzien gestegen, de politicologie nog steeds een jonge wetenschap en de agologie van het toneel verdwenen. De psychologie daarentegen maakte een ongekende bloeitijd door, en nu komen er elk jaar honderden eerstejaars op deze studie af. Een oorzaak is dat de psychologie zich als wetenschappelijke discipline heeft bewezen. Dat is voor een groot deel te danken aan haar empirische grondslag: het vooropstellen van theorievorming op basis van gedegen en liefst experimenteel onderzoek. Een tweede oorzaak van haar populariteit is de grote gevarieerdheid van haar studieobject: het menselijk gedrag. De combinatie van deze twee heeft de psychologie echter gedwongen tot een zekere bescheidenheid: de grote levensvragen lenen zich niet voor empirische toetsing, en psychologen hebben geleerd de grote vragen te vertalen naar kleine, toetsbare vragen die omgevormd kunnen worden tot toetsbare hypothesen. Dat heeft versnippering tot gevolg en een theorievorming van de korte adem: wat het ene moment tot het laatste inzicht wordt uitgeroepen, moet tien jaar later alweer als achterhaald worden opgeborgen. Dat is een trend zonder toekomst. Mijn wens is dan ook dat de psychologie van de volgende eeuw zich weer met belangrijke zaken gaat bezighouden, namelijk de problemen die in die eeuw zullen spelen. Langetermijndenken dus. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat de toename van de wereldbevolking probleem no. 1 zal zijn. Door de verbeterde levensomstandigheden wordt de gemiddelde leeftijd hoger en verandert de samenstelling van de bevolking. De heterogeniteit neemt toe en daarmee de spanningen tussen mensen. Een Derde Wereldoorlog is niet meer in het doemscenario opgenomen, maar gezien de vele oorlogshaarden op de wereld is deze wereldoorlog volgens sommigen allang aan de gang. De vragen van de toekomst zullen een groot beroep doen op verantwoordelijkheid, zelfbeheersing en conflictbeheersing. Kortom de psychologie moet zich in dienst stellen van het menselijk welzijn, méér dan in deze eeuw het geval was. De psychologie, bij uitstek de wetenschap van de zelfkennis, kan mensen ervan doordringen dat voor een welvarende wereld bepaalde eigenschappen noodzakelijk zijn, zoals emotionele stabiliteit, tolerantie en altruïsme. Ook moeten mensen getraind worden in het langetermijndenken. De experimenten van Tversky en Kahneman bijvoorbeeld, zou iedere scholier moeten kunnen dromen. Zij laten zien hoe intuïtieve beslissingen tot stand komen en wanneer doordachte besluiten uitblijven. Zorg voor de toekomst is altijd een zaak van lange adem. De psychologie is verder bij uitstek de wetenschap die laat zien dat mensen deze eigenschappen van nature niet hebben, maar dat kortzichtigheid, egoïsme en korte termijndenken meer bij ons passen. De kop in het zand en het verstand op nul. Laat de psychologie beginnen mensen enige zelfkennis bij te brengen. En bescheidenheid. Zelfkennis is macht.

Maja Vervoort is psycholoog en hoofdredacteur van Psychologie Magazine[/wpgpremiumcontent]