‘Kleine garnaaltjes’, zo noemen verpleegkundigen de te vroeg geboren baby’s die in couveuses liggen: zo klein, zo kwetsbaar, dat je bijna bang bent om ze aan te raken. Lange tijd was dat dan ook streng verboden, om het zenuwstelsel van deze tere poppetjes niet te beschadigen. Er hingen bordjes op hun glazen kooitjes: ‘NIET AANRAKEN’.

Het wanhopige gehuil van couveusebaby’s ging zelfs de grootste kinderhater door merg en been, maar de zusters en broeders van kraamafdelingen wisten het met veel discipline te negeren. Toch bleef er een probleem: ondanks de ideale temperatuur, de uv-stralen, de perfecte zuurstofregeling en vochtigheidsgraad en een voeding die tot op de milligram nauwkeurig was afgemeten, namen de hummeltjes nauwelijks toe in gewicht. Pas als ze uit de couveuse kwamen, begonnen ze normaal te groeien.

Totdat in de jaren ’80 de artsen in een Amerikaans ziekenhuis iets opmerkelijks ontdekten. Sommige couveusekinderen groeiden namelijk wél normaal. Er werd een onderzoek ingesteld, en wat bleek: de ‘normaalgroeiers’ werden allemaal in de gaten gehouden door dezelfde nachtzuster, die nog maar kort op de afdeling werkte. De doktoren moesten haar een beetje onder druk zetten, maar uiteindelijk kwam het hoge woord eruit: de verpleegster vertelde dat ze

Log in om verder te lezen.