Wie ben je?

‘De dagelijkse columnist van nrc.next! Dat bepaalt een groot deel van mijn leven, ahum. Zeven dagen per week loop ik te denken waarover ik zal gaan schrijven. Maar – ach, weet je, ik zou heus heel hard gaan huilen als ze me nu mijn column zouden afnemen, en ik wil niets liever dan uitblinken met mijn column. Maar het is niet het belangrijkste in mijn leven. Mijn vriend Gijs (schrijver en presentator Gijs Groenteman, red.) en mijn vrienden en familie staan verreweg bovenaan bij mij. Zij maken me tot wie ik ben. Ik bel ze echt voor álles. Werk is heel leuk, maar ik word veel verdrietiger of blijer van de dingen die in mijn persoonlijk leven gebeuren.

Ik denk dat ik zo hecht aan intieme banden omdat ik als kind nogal eenzamig was. Ik had wel vriendinnen, maar ik voelde me toch alleen. Ik was gewoon niet zo heel erg gelukkig in die tijd. Dat komt doordat het thuis niet ideaal liep. Mijn moeder overleed toen ik zes was, en mijn broer, zus en ik hadden niet altijd evenveel aan onze vader. Hij hield veel van ons, dat zeker, maar hij was vaak aan het schrijven, met de deur dicht. Hij is meer het type kluizenaar. Met gevoelskwesties kun je bij hem absoluut niet terecht, daar snapt hij helemaal niets van. Op school liep ik vreselijk stoer te doen, maar als ik dan thuiskwam, wilde ik eindelijk mijn masker laten zakken, en begon ik dus vaak onmiddellijk te huilen van alle spanningen die ik zo zorgvuldig had weten te verbergen gedurende de dag. Maar wat deed mijn vader dan? Die moest lachen. Hij vond het maar onzin van mij. Ik was een enorme huilebalk volgens hem, hij werd er gek van. “Stel je niet zo aan,” zei hij dan, “jij maakt je druk om niks.”

Later in mijn leven, als het bijvoorbeeld uit was met een vriendje, vond hij mijn dramatische verslagen belachelijk. Wat ik op zo’n moment natuurlijk het liefst wilde, was dat hij zou zeggen: “Goh, weet je wat, we gaan fijn kleren voor je kopen zodat je weer lekker in je vel zit.” Maar nee hoor. “Ach joh, het zijn maar kalverliefdes,” was alles wat hij zei. Ik snap dat echt niet: hoe kan zoiets belangrijks je nou niet boeien? Relaties zijn voor mij het interessantste wat er bestaat.

Mijn moeder was juist in extreme mate sociaal. Die kon ’s middags besluiten een feest te geven en ’s avonds honderd man in huis hebben. Na haar dood werd het bij ons thuis een beetje de omgekeerde wereld. Daar kon mijn vader ook niet zoveel aan doen; hij was niet geschikt voor het eenouderschap en hij was natuurlijk ontzettend verdrietig en kapot van haar dood. We verslonsden een beetje, mochten niet veel tv kijken, geen muziek draaien, tot ons achttiende moesten we om negen uur naar bed, en ’s ochtends mochten we niet douchen. Omdat mijn vader in stilte thuis wilde werken. Eigenlijk wilde hij een leven zonder kinderen nabootsen, alleen gaat dat een beetje moeilijk met drie luidruchtige kinderen om je heen.

Rond mijn 25ste was ik helemaal klaar met mijn vader: “Lul, je bent er nooit voor me!” Inmiddels ben ik daar wel overheen. Ik houd gewoon heel veel van hem, maar nu wel met een enorme reality check: verwacht nou maar niks. Laatst was mijn kat dood, ik helemaal verdrietig en er een column over schrijven. Zei mijn vader heel droogjes: “O, ik dacht dat je dat verzonnen had omdat je even niks beters wist om over te schrijven. Dat doen columnisten altijd als ze niks meer weten, dan gaan ze over hun dooie kat schrijven.” Vroeger zou ik om zo’n ongevoelige reactie zijn gaan huilen, maar nu lach ik. Ik geniet van de dingen die ik wél met hem kan delen: hij is een ontzettend vermakelijk iemand, origineel, slim. Je kunt heel leuk met hem converseren.’

Wat was een keerpunt in je leven?

‘De dood van mijn moeder, met stip. Ik was misschien al een angstig kind, maar daarna veranderde ik in één brok angst. Toén ben ik pas echt neurotisch geworden. Ik heb een foto van voor haar dood, daarop zit ik al bedremmeld in een hoek, maar op de foto’s van daarna zit ik totaal in elkaar gedoken.

Ik snapte er niks van. Mijn moeder had kanker. Maar ík dacht dat ze doodging omdat ze een te zwaar dienblad met te veel kopjes had gedragen; dat kon ze namelijk niet meer. Mijn broertje dacht dat het kwam omdat ze te veel pannenkoeken had gegeten; als kind haal je rare dingen in je hoofd. Maar ze praatte er ook niet met ons over, ze accepteerde niet dat ze doodging. Wat wil je ook, op je 34ste. Heb je drie jonge kinderen en ga je dood – dat is te erg om onder ogen te zien. Wij mochten niet te veel in het ziekenhuis komen en haar ziek zien. We werden vooral bij haar weggehouden. Ook de begrafenis mochten we niet bijwonen.

Sindsdien heb ik me in de basis eenzaam gevoeld. Ik heb het later ook gehoord van andere vrouwen die als kind hun moeder zijn kwijtgeraakt: je mist die moederfiguur bij wie je altijd terechtkunt. Dat doet iets met je: je lost het zelf wel op en probeert je niet meer zo snel te laten raken. Je wordt er hard van.

Soms mocht ik met mijn vader op de bank zitten, dan zei hij niks maar hield hij me tegen zich aan en gingen we naar mijn moeders foto kijken. Dan deelden we het verdriet. Maar verder kon ik niet bij hem terecht. Hij accepteerde ook geen hulp van buitenaf, sloot zich af voor de buitenwereld. Hij was zo’n onhandige alleenstaande man, kon er niet goed mee omgaan; voor hem was het natuurlijk ook verschrikkelijk.

Negen maanden na de begrafenis verhuisden we naar Amerika. In één klap raakte ik al mijn vriendjes, vriendinnetjes, ooms en tantes kwijt, zelfs de hond moesten we achterlaten. Nog steeds ben ik bang mensen te verliezen, of dat ze een ongeluk krijgen, of ernstig ziek worden.

Om die angst te bezweren kreeg ik allerlei dwangneuroses. Zo moest ik steeds van mezelf in mijn glas bijten als ik iets dronk. Totdat ik dus een glas stukbeet en met scherven in mijn mond zat. Toen zei mijn vader dat ik dat nooit meer mocht doen. Vervolgens ben ik overgestapt op tellen. Doe ik nog steeds. Ik tel bijvoorbeeld het aantal lettergrepen op nummerborden. Ook met lezen heb ik het: ik moet alle leestekens van mezelf tellen, zin voor zin. Vroeger dacht ik: “Anders gaat opa dood, of kom ik onder de tram.” Nu geloof ik dat niet meer, maar het tellen is een automatisme gebleven.

In totaal heb ik, denk ik, maar een stuk of zes herinneringen aan mijn moeder. Toch denk ik vaak aan haar. Dan vraag ik me af: zal ik straks ook zo’n lieve moeder zijn? Ik wil het precies doen zoals zij het deed. Zij was de ultieme vrouw: knap, leuk, grappig, heel veel koken en in een rok rondlopen. Maar ja, dat heb je altijd met een dode, hè: van de doden niets dan goeds. Mensen gaan niet zeggen dat ze ook soms een beetje vervelend was en irritante trekjes had. Laatst was ik jarig en stelde ik me voor dat ze op mijn verjaardag was. Toen kon ik me ineens heel goed indenken hoe ze een beetje geërgerd “hallo” zou zeggen, en dat ze zich dan ging bemoeien met iets. Dat het heus niet altijd hemels zou zijn geweest. Maar toch… de dood van mijn moeder blijft de diepste wond.’

Waar geloof je in?

‘Niet in God of zoiets dergelijks, nee hoor. Het klinkt een beetje corny misschien, en ik val in herhaling, maar ik geloof in mensen. In de liefde, zeg maar. Als ik dat niet genoeg om me heen heb, word ik diep ongelukkig.’

Wat zou je willen veranderen aan je leven?

‘Soms voel ik me ineens heel armoeiig: heb ik de hele dag zitten schrijven en niemand gezien. Ik houd van schrijven, maar de mindere kant is dat je altijd in je eentje zit.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Het leven wordt steeds leuker en makkelijker. Je weet wie je echte vrienden zijn, maakt je niet meer zo snel druk omdat je weet wat je wel en niet kunt, je gaat meer geld verdienen en je hebt dus wat meer luxe. En ik ben sinds twee jaar ook nog gelukkig in de liefde. Het enige dat jammer is van ouder worden, is dat er op sommige fronten wat meer tijdsdruk is. Je moet bijvoorbeeld op een gegeven moment wel echt gaan proberen kinderen te krijgen als je dat graag wilt. Dat kun je niet eeuwig blijven uitstellen of eindeloos blijven bespreken met elkaar. Maar misschien is die druk ook wel goed; het dwingt een mens tot beslissingen. Sorry hoor, verder ga ik hier niet over uitweiden, dit onderwerp vind ik net iets te privé.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dat je een soort veiligheid moet hebben. Dat je weet: “Ik kan altijd naar hem toe. Als ik me rot voel, kan ik binnen tien minuten bij hem zijn.” In de liefde moet je echt op elkaar kunnen terugvallen. Het moet niet zo zijn dat de ander zegt: “Ik kan nu niet want ik wil eigenlijk hard werken en twee weken alleen zijn.” Wat ik wil horen, is: “Ik vind het zó leuk dat je langskomt!” En dat hij dat ook nog blijft zeggen als je elke dag langskomt. Als Gijs en ik afscheid nemen, zegt hij: “We gaan vandaag nog wel honderd keer bellen, hè?” Dan denk ik: ja, graag!

Vroeger was ik allang blij als iemand zei dat hij van mij hield. Ik stelde verder niet zoveel eisen. Nu weet ik: als iemand niet lief, leuk en grappig is, of je hebt al drie weken niet met hem gelachen, moet je opstappen. Dan zit het er gewoon niet in.

Mijn vorige relatie (met schrijver Arnon Grunberg, red.) heb ik veel te lang volgehouden. Hij kon soms dagenlang zijn mond houden, onbereikbaar zijn. Veel mensen om mij heen dachten dat ik een onwijs goeie catch had: ze vonden hem intelligent en grappig. Maar ze wisten niet hoe het echte leven met hem eruitzag. Niemand zag ons ooit samen. Áls we bij elkaar waren, zaten we in het buitenland.

Lang dacht ik: “Ik kan wel omgaan met een partner die moeilijk en afstandelijk is, dat ben ik toch gewend van mijn vader?” Omdat het de eerste keer was dat iemand zogenaamd voor mij ging, en ook nog grappig en slim was, dacht ik: “Dit zal het wel zijn dan.” Hij zei: “Je bent zo’n goede vriendin, jij kunt twee uur je mond houden en stilzitten, dan kan ik schrijven.” Ik kón mezelf inderdaad goed wegcijferen. Ik vond er alleen niks aan! Ik heb óók ego en geldingsdrang, dus dat botste nogal.

Het was vaak aan en uit met hem. Als het dan uit is en je kunt niemand anders vinden, ga je hem missen en idealiseren, je voelt je alleen, je denkt: “Ik kom nooit meer iemand tegen,” en belt vervolgens maar weer eens op. Het was gewoon een verslaving.

Op een gegeven moment deed ik een zwangerschapstest die positief was. “Ik wil abortus,” ging het door me heen, “ik wil absolúút geen kind van deze man.” Ik bleek niet zwanger te zijn, maar ik wist wel: dit is het teken dat ik echt moet stoppen met deze relatie. Het lukte: ik kreeg mijn column, een nieuw eigen huis, mijn eigen kat, ging leuke meubels kopen en elke dag versgeperste jus voor mezelf maken, en een jaar later kwam ik Gijs tegen. Goh… Ik had niet gedacht dat het nog zo goed zou aflopen.’

In oktober verschijnt van Aaf Brandt Corstius en Machteld van Gelder Handboek voor de moderne vrouw (Podium, € 25,-).[/wpgpremiumcontent]