Wie ben je?

‘Ik hoor bij de braders, om in kooktermen te spreken. Braders zijn van het woeste gebaar. Wij houden van groot en veel. Wij snijden wild in het rond, met het grootste mes. De spetters vliegen bij mij altijd door de keuken, het is een zooi als ik heb gekookt: overal schillen en troep. Een goede kok ruimt tussentijds steeds op en zet dingen van tevoren klaar in bakjes en zo, maar dat doe ik allemaal niet. Braders zijn totaal andere mensen dan patissiers. Mensen die taartjes maken, werken juist heel gecoördineerd en precies. Dat vereist hun werk ook: als ze niet de exacte hoeveelheden nemen, zakt het spul in. Maar ik moet ook zeggen dat ik zoetigheid niet zo lekker vind. Ik val voor de saucijzenbroodjes en de kroketten.

Een lekkerbek ben ik al mijn hele leven. Het probleem was vroeger dat mijn moeder heel saai kookte: totaal ongeïnspireerde Hollandse pot. Ze zette alles in één keer op het vuur en vervolgens ging ze sherry drinkend aan de telefoon zitten kletsen met de buurvrouw. Geen wonder dat ze nog steeds maatje 36 heeft, ze geeft gewoon niks om eten. Dus zei ik tegen haar: “Mam, laat maar. Ik kook wel.” Van mijn zakgeld kocht ik de Tip Culinair, daar zat ik uren in te bladeren, me vergapend aan al die heerlijke gerechten. Veel kip met ananas en overal Klopklop overheen, dat werk. Samen met mijn broertje stond ik dan achter het fornuis.

Mijn ouders vonden het allemaal prima, we werden vrij opgevoed. Mijn vader was musicus, we waren zo’n artistiekerige familie waar alles kon. We woonden in Overveen, een bekakt dorp waar wij de grote uitzondering waren. Iedereen ging daar skiën terwijl wij van die Afghaanse jasjes droegen. Bij ons werd veel muziek gedraaid, we woonden in een oud, krottig huis, we hadden altijd mensen over de vloer en we konden gewoon “lul” tegen onze vader zeggen.

Op zich heb ik een aardige jeugd gehad, maar de keerzijde was dat mijn vader vreselijk zoop en dat mijn moeder een beetje over zich heen liet lopen. Toen ik tien was, gingen ze scheiden. Mijn vader had een nieuwe vrouw van achttien. Hij is inmiddels bij zijn derde vrouw vandaan en die is vijf jaar jonger dan ik, maar toch is hij een leuke vader. Hij heeft echt humor. Ik vond het als kind heel erg dat hij wegging. Mijn moeder bleef in haar eentje achter met drie van die pubers, daar kon ze niet goed mee omgaan. Mijn broer en ik waren erg lastig. We hebben onze moeder helemaal gek gemaakt. Ik stond iedere dag te blowen op het schoolplein, al in de eerste pauze. Ik ben van vier scholen getrapt. Toen ik nog maar net zeventien was, ben ik al het huis uit gegaan. Pas later, op mijn eenentwintigste, heb ik via het volwassenenonderwijs mijn vwo-diploma gehaald.

Op zich kon ik goed leren, maar op de middelbare school deed ik weinig en hield ik me afzijdig. Dat zal ongetwijfeld met de situatie thuis te maken hebben gehad, maar op de lagere school was ik ook veel gepest vanwege mijn strak scheef­geknipte pony en mijn vreselijke brilletje. Dat heeft er denk ik mede voor gezorgd dat ik onzeker werd en niet zoveel vrienden had.

Wat ook meespeelt, is dat ik nooit zo ambitieus ben geweest. Ik zat meer voor mezelf te lezen, aan één stuk door. Als klein meisje kreeg ik zelfs dispensatie van de Bloemendaalse bibliotheek om alvast in de kast van twaalf jaar en ouder te mogen; alles voor onder de twaalf had ik namelijk al uit. Dagelijks ging ik met drie boeken naar huis, het maximum dat je per dag mee mocht nemen. Nog steeds lees ik alles wat los en vast zit; ik stap denk ik graag uit mijn eigen hoofd om mijn verbeelding te laten werken. Volgens mij ben ik door het vele lezen uiteindelijk zelf gaan schrijven. Schrijven is eerst heel veel kijken hoe anderen het doen, en het vervolgens slim weten te jatten.’

Waar geloof je in?

‘In humor. Humor is mijn overlevingsmechanisme. Ik kom uit een botte familie, wij maken harde grappen tegen elkaar. Het ergste van het ergste gaat over tafel bij ons. Wij kennen geen enkel taboe. Toen mijn vader tien jaar geleden kanker had, hebben we daar enorm veel grappen over gemaakt. Kanker wordt er echt niet minder erg door als je eromheen gaat zitten praten. Mijn credo is: niets is zo erg dat je er geen grap over kunt maken. Na zo’n grap voel je je vanzelf beter. Daarna kun je je alsnog om het echte verdriet bekommeren.

In mijn kookboeken staan ook veel grappen. Vooral over mezelf, omdat er altijd wel iets fout gaat. Een soufflé zakt in, het huis is een puinhoop, of we zitten zogenaamd met ijsmutsen op aan het ontbijt omdat de verwarming is uitgevallen. Maar dat is natuurlijk ook een stijlfiguur hè, die overdrijving. Ik schrijf zo omdat het leuk is om te lezen over iemand met wie het slechter gaat dan met jezelf. In het echt heb ik het allemaal veel meer onder controle, en mocht er iets mislukken, dan vind ik dat niet zo erg. Mijn man Philippe wordt door zijn collega’s weleens gepest met mijn columns, maar wij zijn dus helemaal niet zo zielig als ik ons beschrijf.’

Wat was het keerpunt in je leven?

‘Toen ik op m’n vijfentwintigste besloot in Moskou te gaan wonen. Als ik dat niet had gedaan, was ik nu lerares Nederlands geweest: voor een slecht salaris tussen de pubers zitten op een of ander vmbo, god bewaar me!

Voordat ik naar Moskou verhuisde, studeerde ik Nederlands, maar ik werd daar niet echt vrolijk van: medestudenten die geen zin hadden om literatuur te lezen en die liepen te klagen dat ze geen spelfouten mochten maken in hun tentamens. Philippe, met wie ik toen al een relatie had, werd als verslaggever voor de krant uitgezonden naar Moskou, en na een proefverblijf was ik zo enthousiast dat ik dacht: “Hier wil ik wonen.” Ik ging niet alleen vanwege de liefde naar Rusland, maar vooral omdat ik daar graag naartoe wilde; de liefde tussen Philippe en mij was juist tamelijk problematisch in die tijd.

Mensen in mijn omgeving vonden het maar onverstandig dat ik meeging naar Moskou: zonder eigen carrière, en met een relatie die steeds uitging. Maar ik hóéfde helemaal geen carrière. Ik sleepte liever een half varken van de markt. Met een scalpel dat ik van een bevriende arts had gekregen, vogelde ik dan uit hoe je mooie karbo’s kon snijden. Philippe moest veel reizen, ik ging zo veel mogelijk met hem mee als fotograaf. We zijn met parachutes uit vliegtuigen gesprongen en soms moesten we bukken voor de kogels. Mijn moeder zegt nu tegen mij: “Kind, hoe heb jij al die gevaarlijke landen kunnen bereizen, je was als meisje zo’n schijterd!” Als we met het hele gezin op vakantie waren, liep ik de hele tijd te zeuren wanneer we nou naar huis gingen omdat ik zo’n heimwee had. Maar goed, ik was in Rusland altijd dronken, dat hielp wel.

Door vijf jaar Moskou, en vervolgens vijf jaar Berlijn, leerde ik van alles over het koken in die landen, en op een dag las ik de kookrubriek in de Volkskrant en dacht ik ineens: “Dit kan ik beter.” Ik mocht een proefstukje maken en dat werd goedgekeurd. Ik was 32 en had opeens een carrière als culinair journalist, zonder dat ik iets had gepland in die richting.’

Wat zou je willen veranderen?

‘Ik wil minder tobben. Sinds kort ga ik daarvoor naar de psychiater. Ik heb alle elementen in mijn leven om gelukkig te kunnen zijn, en ik bén het ook, maar toch lig ik slapeloos in bed: “Wanneer zou ík de kanker krijgen? Wanneer komt míjn kind onder een auto?” Ik heb weleens dat ik paniekerig en angstig word.

Ik heb het idee dat ik overal doorheen ben gemazzeld in m’n leven. In het casino kun je honderd keer op rood zetten, en dan kan het best zijn dat het honderd keer rood wordt. Maar de kans dat het zwart wordt, blijft natuurlijk wel altijd vijftig procent. Hoe kan het toch dat sommige mensen altijd maar geluk hebben en anderen niet, vraag ik me af. “Het leven ís niet eerlijk,” zegt mijn psychiater dan. “De een heeft een easy ride en de ander niet, dat is gewoon toeval.” Onze drie kinderen zijn ons zomaar komen aanwaaien, terwijl vrienden van mij allerlei ivf-­pogingen doen en nóg geen kinderen kunnen krijgen. Nou ja, misschien is het ook wel goed dat ik niet zomaar probleemloos gelukkig kan zijn. Tevreden mensen vind ik altijd heel saai. Ze missen het laagje verdriet onder hun geluk.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Waardeloos. Ik ben eerder moe, kan minder tegen drank, word sneller dik en krijg een oude kop. Maar ja, wat wil je dán? Als je niet ouder wordt, ga je dood. Het is het een of het ander. Je schijnt het te moeten verzwijgen als je veertig wordt. Een homovriend van mij zegt: “Je kunt nog beter aids hebben dan veertig zijn.” Maar ik ga niet naar de sportschool en dat soort ongein. Het is allemaal voor de dood uitrennen. Je gaat mooier dood, maar dood gá je.

Het voordeel van ouder worden is dat ik wat meer zelfvertrouwen heb gekregen, doordat ik een functionerend gezin en een leuke baan heb. Allemaal dingen waarvan ik nooit had gedacht dat ik ze zou waarmaken. Als gepest kind werd ik afgewezen, maar ik heb nu iets opgebouwd waardoor ik daar niet meer bang voor ben.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dat je het niet cadeau krijgt. En dat liefde niet zo mooi is als het lijkt. Nu gaat het prima, maar in het begin hadden Philippe en ik een rot­huwelijk. Het was een ziek soort verhouding. Ik vond hem autoritair, hij mij een slappeling. We liepen te duwen en te trekken om elkaar maar te veranderen. Als je je eenmaal aan je partner gaat ergeren, gaat op het laatst alles aan hem je irriteren. We begonnen langs elkaar heen te leven. En hadden allebei een ander.

Maar samenwonen heeft ook iets onnatuurlijks, vind ik. Ik snap dat je voor je kinderen samenwoont, maar een andere reden kan ik niet bedenken. Het is veel prettiger om alleen te ­wonen. Dan kun je helemaal doen wat je zelf wilt.

Dat Philippe en ik in die crisistijd bij elkaar zijn gebleven, kwam door ons eerste kind. We hadden er allebei geen fiducie meer in, maar wilden het toch een kans geven omdat we dol waren op ons kind. Dus toen moesten we het uitpraten. We zijn hardop gaan zeggen wat we echt van elkaar vonden. De negatieve spiraal werd doorbroken toen bleek dat we onze verschillen al die jaren ontzettend hadden zitten opblazen. Kleine meningsverschillen laat je enorm hoog oplopen doordat je verzandt in ruziën over het ruziën. Veel beter is het je te richten op het probleem waar het eigenlijk om was begonnen. Dus hebben we gezegd: “Een paar cruciale dingen moeten echt anders, en de rest accepteren we maar van elkaar.”

Weet je wat het probleem is: mensen zien maar één kant van de ander, daarom trouwen ze steeds weer. Ik ben heel charmant omdat ik zo los ben, maar ik laat de boel óók in het honderd lopen en ik smijt met geld. Ik ben erg leuk én erg vervelend; mooier kan ik het niet maken.’

In februari verschijnt een columnbundel van Sylvia Witteman: Pekingeend bij nacht, en andere pogingen tot Echt Heel Erg Gelukkig Worden. Arbeiderspers, € 14,95[/wpgpremiumcontent]