In 1995 vergeleek Edwin van den Oord gegevens van bijna drieduizend driejarige tweelingen met de gegevens van een groot aantal niet-tweeling kinderen. Ouders van beide groepen kinderen vulden een uitvoerige vragenlijst in over gedragsproblemen bij hun kinderen. Zeer verrassend was dat tweelingen, met name twee-eiige, iets minder problemen bleken te hebben dan niet-tweelingen. Een mogelijke verklaring voor deze bevinding is, dat de moeders van twee-eiige tweelingen gemiddeld iets ouder waren dan andere moeders. Ook uit ander onderzoek is naderhand gebleken, dat gedragsproblemen bij kinderen afnemen als hun moeders ouder zijn.

De beste manier om na te gaan of tweelingen anders zijn dan eenlingen is ze te vergelijken met hun eigen broers en zusters. Je vergelijkt dan mensen die dezelfde achtergrond hebben en opgegroeid zijn in hetzelfde gezin.

Op de Vrije Universiteit in Amsterdam is zo’n onderzoek gedaan waarbij is gekeken naar geestelijke en lichamelijke gezondheid bij volwassen tweelingen en bij hun broers en zusters. Zo’n dertienhonderd een-eiige tweelingen, achttienhonderd twee-eiige tweelingen en elfhonderd broers en zusters deden aan het onderzoek mee. Hun leeftijden varieerden van twaalf tot zeventig jaar, maar de meesten waren tussen de twintig en dertig. Ze zijn ondervraagd over lichamelijke klachten, over angsten en depressies en over hun vermogen zich te handhaven in stressvolle omstandigheden.

Tweelingen bleken op geen van deze eigenschappen anders te zijn dan niet-tweelingen. Ze zijn niet meer of minder angstig, niet gevoeliger voor stress en hebben ook niet vaker last van lichamelijke klachten dan mensen die geen meerling zijn. Kortom tweelingen ervaren niet meer problemen dan niet-tweelingen.

Een genetische analyse waarin de gelijkenis tussen een- en twee-eiige tweelingen is vergeleken, toonde aan dat ongeveer de helft van de verschillen tussen mensen in angst en depressie toegeschreven kan worden aan erfelijke aanleg. De andere helft van de individuele verschillen kan worden verklaard door wat iemand meemaakt in de loop van zijn leven.

Opmerkelijk genoeg gaat het hierbij om ervaringen die niet gedeeld worden met broers en zussen uit hetzelfde gezin, zelfs niet als het tweelingbroers en -zusters betreft. Het zijn dus unieke ervaringen – en niet gezinservaringen – die naast erfelijke aanleg het risico op angst en depressie bepalen. Wel is mogelijk dat voor sommige individuen bepaalde ervaringen die samenhangen met hun tweeling-zijn, deel uitmaken van deze unieke ervaringen. Maar zoals eerder gezegd, heeft dit bij tweelingen geen systematisch effect op gevoelens van angst en depressie.n

Prof. dr. D.I. Boomsma is als hoogleraar psychonomie verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam[/wpgpremiumcontent]