Ik ben Floor, 31 jaar, blond, sproetig, 1,84 meter lang en 66 kilo zwaar. Ik ben opgegroeid in een middelgrote stad in het zuiden van het land en heb twee zusjes. Ik ben leuk met de naaimachine en dol op lezen. Ik heb niks met muziek en zou dolgraag een keer meedoen aan Wie is de Mol? Mijn glas is doorgaans halfvol. Ik ben moeder van twee kinderen en niet sportief. Ik háát kaas. Volgens een Big Five-persoonlijkheidstest ben ik niet erg consciëntieus. Nu ben ik inderdaad een sloddervos, maar ik wil ook melden dat ik nooit een trein mis.

De vraag is waarom ik ben zoals ik ben. Waarom heb ik de voorkeuren die ik heb en gedraag ik me zoals ik me gedraag? Was ik dezelfde Floor geweest als ik niet in Maastricht was opgegroeid, maar op Ameland? Wat als ik niet twee jongere zusjes maar een stel oudere broers had gehad? Of wanneer ik was opgevoed door anderen dan mijn ouders? Had ik een kaasminnende muziekliefhebber kunnen zijn? Een Olympisch roeier? Een fanatieke microbioloog?

Nature versus nurture

Ik ben niet de eerste die zich afvraagt of gedrag wordt bepaald door genen (nature) of omgeving (nurture). Sterker, het nature-nurture-debat is een van de felste wetenschappelijke discussies ooit gevoerd. Aan de ene kant staan de fatalisten, die stellen: hoe je bent, ligt vast bij geboorte en opvoeding verandert daar niets aan. Tegenover hen staan de maakbaren, die zeggen: geef me willekeurig welk kind en ik maak er een schaakkampioen van.

Mede door een grote hoeveelheid wetenschappelijk onderzoek is het stof inmiddels neergedaald en blijkt dat beide partijen gelijk hebben. Of ongelijk – het is maar hoe je het bekijkt. Sommige kenmerken blijken namelijk volledig erfelijk, andere helemaal niet. Maar voor verreweg de meeste eigenschappen geldt dat er sprake is van een wisselwerking van genen en omgeving.

Wie wil weten of een eigenschap erfelijk is, is misschien geneigd te kijken of die ‘in de familie zit’. Op zichzelf geen gekke gedachte, maar de methode is niet waterdicht. Zo spreekt bij mij in de familie ieder­een Nederlands. Maakt dat het spreken van Nederlands tot een erfelijke eigenschap? Nee, natuurlijk niet. De taal die je spreekt, is voor honderd procent afhankelijk van de omgeving waarin je opgroeit. Met mijn genenpakket had ik net zo goed Chinees of Libanees kunnen leren praten.

Van een volledig erfelijke eigenschap mag je verwachten dat de omgeving er geen invloed op uitoefent. Omgekeerd zouden genen geen rol mogen spelen in een aangeleerde eigenschap. Hoe meet je of dat werkelijk het geval is? Gedragsgenetici maken gebruik van onderzoek met tweelingen om te bepalen in hoeverre een eigenschap erfelijk is. Ook kunnen ze zo bepalen in hoeverre een eigenschap wordt bepaald door gedeelde omgevingsfactoren (in hetzelfde gezin opgegroeid) of door unieke omgevingsfactoren (de een is als kleuter hard op zijn hoofd gevallen en de ander heeft misschien ‘foute vrienden’).

Het principe van zulk onderzoek is simpel. De ene helft van de proefpersonen zijn eeneiige tweelingen, die hun genetisch materiaal volledig delen, en die samen opgroeien. Verschillen tussen de ene en de andere helft van zo’n eeneiige tweeling moeten dus worden veroorzaakt door verschillen in de unieke omgeving. De andere proefpersonen zijn twee-eiige tweelingen die samen opgroeien in dezelfde omgeving; ze delen gemiddeld de helft van hun genen, net als mijn zusjes en ik. Het verschil tussen eeneiige en twee-eiige tweelingen kan daarom worden toegeschreven aan genen. De rest van de verschillen hoort in het vakje ‘gedeelde omgeving’.

Van wie heb ik mijn blonde haar?

Voor veel lichamelijke kenmerken geldt dat de erfelijke factor hoog is. Dat ik er zo uitzie als ik eruitzie, ligt – afgezien van versieringen hier en daar – voor een aanzienlijk deel vastgelegd in mijn genen. Mijn moeder (bruine krullen, blauwe ogen, wordt snel bruin) en mijn vader (ooit donkerblond steil haar, groene ogen, ook snel bruin) wisten drie besproete dochters met blond tot zeer blond haar en grijsblauwe ogen te produceren, die marginaal bruin worden in de zomer. Dat mijn zussen en ik er anders uitzien dan mijn ouders en (in mindere mate) dan elkaar komt door de loten die we hebben getrokken in de genetische loterij.

Voor iedere eigenschap erf je genen van je vader en genen van je moeder. Van die genen bestaan verschillende soorten: dominante genen, recessieve genen en genen die co-dominant zijn. Dominante genen, het woord zegt het al, overheersen. Recessieve genen zijn het tegenovergestelde: ze láten zich overheersen, tenzij er geen dominante concurrentie is. Voor co-dominante genen geldt dat ze even sterk zijn.

Een voorbeeld van een dominant gen is het gen voor bruin haar. Blond haar is juist recessief. Mijn moeder heeft bruin haar, maar geen van haar dochters heeft die kleur geërfd. Dat wij allemaal blond zijn, betekent dat mijn moeder een gen voor blond haar moet hebben dat bij haarzelf wordt overschaduwd door het bruine gen. Dat blonde gen heeft ze aan ons alle drie doorgegeven. Van mijn vader, donkerblond, erfden we eveneens een blond gen en zo kan het dat wij allemaal blond zijn. Onze feestelijke sproeten hebben we toevallig alle drie via onze vader geërfd van onze opa. Kleine kans, maar het gebeurde toch. Bedankt opa!

En wie had ooit kunnen denken dat mijn oma van 1,48 meter (‘Maar vroeger was ik 1,50 meter!’) een kleindochter van 1,84 meter zou voortbrengen? Lengte is iets minder erfelijk bepaald dan haar, huids- en oogkleur; hoe beter het eten, hoe beter de genen die je lengte bepalen ‘tot expressie’ kunnen komen. De weldoorvoede jeugd van tegenwoordig is gemiddeld dan ook langer dan de generaties die minder en slechter te eten hadden. Het lengteverschil tussen mijn oma en mij zit ‘m natuurlijk niet in een paar sperziebonen meer of minder. Mijn lengte heb ik van moeders kant. Mijn moeder is 1,80 meter: ook voor háár generatie behoorlijk lang.

Door wie kon ik naar de universiteit?

Bepaalden mijn genen dat ik in staat was een universitaire opleiding af te ronden of komt dat door het intellectuele milieu waarin ik ben opgegroeid? Vreemd genoeg is het antwoord dat de intelligentie van de Floor van 25 jaar geleden goeddeels werd bepaald door de omgeving, terwijl mijn huidige intellectuele niveau op conto van mijn genen komt.

De erfelijkheid van intelligentie hangt dus samen met leeftijd. Voor kinderen van 5 jaar geldt dat 26 procent van de intelligentieverschillen genetisch vastligt; 50 procent wordt verklaard door de gedeelde omgeving en de overige 24 procent door de unieke omgeving (en meetfouten). Wie zijn kleuter dus veel voorleest en minicolleges erfelijkheidsleer geeft, kan zijn kind dus tijdelijk ‘slimmer’ maken.

De invloed van opvoeding is op 16-jarige leeftijd echter volledig verdwenen: de invloed van erfelijkheid is dan 62 procent, van gedeelde omgeving 0 procent en niet-gedeelde omgeving 38 procent. In de loop der tijd krimpt de invloed van de unieke omgeving verder in. Op 26-jarige leeftijd worden verschillen in intelligentie voor ongeveer 88 procent verklaard door erfelijkheid. Daarmee is intelligentie meteen ook een van de meest erfelijke niet-fysieke eigenschappen.

Hoe het kan dat genen steeds een grotere rol spelen als we opgroeien, is niet helemaal duidelijk. Onderzoekers denken dat er nieuwe iq-genen tot expressie komen als kinderen ouder worden. Het is ook mogelijk dat de invloed van eerder actieve iq-genen groter wordt als het kleuterbrein uitrijpt naar tiener­brein (‘amplificatie’).

Overigens is mijn intelligentie erfelijk omdat ik uit Nederland kom en niet uit een ontwikkelingsland. In sommige landen is intelligentie nagenoeg niet erfelijk doordat de sociale verschillen daar te groot zijn. Sommige kinderen sterven er van de honger of moeten vechten in een oorlog, terwijl andere kinderen in datzelfde land wél naar school kunnen.

Wordt van de bevolking in zo’n land een intelligentietest afgenomen, dan zijn de verschillen die worden ontdekt vooral toe te schrijven aan verschillen in omgeving en niet aan aangeboren aanleg. Net zoals veel eten de ‘lengte-genen’ helpt te floreren, hebben de genen voor intelligentie minimale omgevingsfactoren nodig (denk aan een basisschool) om tot expressie te komen.

Allicht bent u zelf ook het bewijs van de wisselwerking tussen genen en omgeving. Het feit dat u Psychologie Magazine in handen hebt en zo ver in dit artikel gekomen bent, betekent waarschijnlijk dat u slim en nieuwsgierig van aard bent. Het is ook niet ondenkbaar dat u al eens eerder vrijwillig informatie tot u nam. En hebt u toevallig niet ook een partner met een vergelijkbaar iq? Slimme mensen zoeken een slimme omgeving en zo worden ze nog slimmer – en dat zijn dan weer die unieke omgevingsfactoren, weet u nog?

Waarom ben ik niet sportief?

Persoonlijkheid is hardnekkig. Ik was een weinig consciëntieus kind en ik zal – hoop ik – als weinig consciëntieuze bejaarde sterven. Prachtige illustraties van de stabiliteit van persoonlijkheid zijn te zien in de vervolgdocumentaire The Up Series van de Britse regisseur Michael Apted. In de jaren zestig filmde hij het leven van een aantal 7-jarige Britse kinderen.

Wie ben je, vroeg hij hun, wat zijn je dromen? Hij heeft ze daarna elke zeven jaar opnieuw gefilmd, voor het laatst in 2005, toen de kinderen van destijds 49 jaar oud waren. We zien bijvoorbeeld An­drew als 7-jarig ventje de Financial Times lezen en beweren dat hij wil studeren aan een prestigieuze universiteit. Later zien we dat Andrew zijn Cambridge-bul krijgt uitgereikt en weer wat later zien we hem aan het werk als succesvol advocaat. Eens ambitieus, altijd ambitieus.

Maar de factor tijd zegt niets over erfelijkheid van karaktertrekken. Reageer ik bijvoorbeeld net als mijn ouders nuchter en kalm op stress-situaties doordat ze me zo hebben opgevoed of doordat ik ‘veerkrachtgenen’ van hen heb geërfd? Voor de vijf officiële dimensies van je persoonlijkheid (de ‘Big Five’) geldt dat de invloed van erfelijkheid schommelt rond de 50 procent: emotionele stabiliteit 48 procent, openheid 57, extraversie 54, consciëntieusheid 49 en altruïsme 42 procent.

Opvallend is dat de overige 50 procent vrijwel geheel kan worden toegeschreven aan meetfouten en de unieke omgeving (school en vrienden). De opvoeding, hoe veerkrachtig ook, doet er niet toe. Op andere vlakken is opvoeding weer wel bepalend. Neem sociale intimiteit: of iemand hechte banden aangaat en sociale steun zoekt, is maar voor 31 ­procent erfelijk bepaald. Een van de minst erfelijke eigenschappen is religiositeit, althans ‘extrinsieke religiositeit’. Dat ik nooit naar de kerk ga, bid of andere religieuze handelingen verricht, is een kwestie van aangeleerd gedrag. Iets anders ligt dat voor ­’intrinsieke religiositeit’: in hoeverre iemand belang hecht aan spiritualiteit ten opzichte van bijvoorbeeld geld verdienen is voor ongeveer 30 procent erfelijk bepaald.

En dan sportiviteit: ik had hier graag geschreven dat ik vreselijk sportief was, maar dat is niet zo. Ik heb niets tegen bewegen, maar alleen als het een doel heeft, mezelf van huis naar het station verplaatsen bijvoorbeeld. Mijn zussen heb ik ook nog nooit betrapt op rondjes rennen in het bos en dat komt waarschijnlijk doordat we erfelijk belast zijn. Sportiviteit is voor maar liefst 80 procent erfelijk bepaald. Althans, bij volwassenen; voor kinderen geldt dat vooral de opvoeding en de sociaal-economische status van hun ouders van invloed is. Ik kan mijn kinderen dus behalve tijdelijk intelligent ook tijdelijk sportief maken door ze naar een sportclub te brengen.

Sportiviteit is overigens iets anders dan sportief talent. Had ik, als ik maar iets fanatieker was geweest, misschien wel een topsporter kunnen zijn? Uit onderzoek blijkt dat uitblinken op welk gebied dan ook samenhangt met uren maken. Tienduizend, om precies te zijn. De Bachs, Einsteins, Cézannes, Federers en Hitchcocks van deze wereld hebben stuk voor stuk minimaal tien jaar geoefend om te schitteren. Nu kan ik me voorstellen dat ik na tien jaar oefenen ook best een leuk balletje zou slaan, maar dat is nog iets anders dan aan de wereldtop belanden. Bestaat er niet zoiets als aangeboren talent? Uit onderzoek van het Nederlands Tweelingen Register van de vu blijkt dat dat wel degelijk het geval is. Voor sport geldt dat 72 procent op rekening komt van erfelijkheid. Voor schrijftalent is dat 69 procent, wiskunde 76 procent en muziek 85 procent. Niet zo gek dus dat de familie Bach ruim tweehonderd actieve musici kent en die van mij geen.

Waarom ben ik zo’n rommelkont?

Ik houd niet van kaas, Griekse yoghurt en andere vette zuivelproducten. Net als mijn vader en naar het zich laat aanzien mijn zoon. Spookt er in onze familie een anti-zuivelgen? Uit onderzoek blijkt dat de genetische invloed van vette-zuivelliefde 24 procent is. Of je een fruittypje bent, blijkt met 49 procent het sterkst genetisch bepaald, op de voet gevolgd door knoflook (46 procent), koffie (41 procent) en rood vlees (39 procent). De liefde voor pasta en rijst (8 procent) en vis (17 procent) blijkt een stuk minder stevig gefundeerd in je dna.

Dat onze hele familie graag pasta eet ligt dus niet aan onze genetische ballast, maar dat we die pasta rijkelijk voorzien van knoflook weer wél. Ons zuivel­verhaal blijft raadselachtig, vooral omdat de gedeelde omgeving, opvoeding dus, geen rol lijkt te spelen. Dat mijn vader steevast mopperde wanneer mijn moeder Parmezaanse kaas over de knoflookpasta deed, heeft mij dus op geen enkele wijze beïnvloed. Overigens blijkt er volgens onderzoek een verband te bestaan tussen de afkeer van vet, dominantie en een lage score op hulpvaardigheid. Ik weet niet of ik mezelf, mijn vader en mijn zoon daarin wil herkennen.

Hoe zit dat met andere voorkeuren? Mijn bureau is onwaarschijnlijk rommelig en dat geldt, in iets mindere mate, ook voor mijn huis. Ik ben dol op rariteiten. Mijn kabinetje bevat een biggetje op sterk water, een opgezette krokodil, opgeprikte vlinders en meer van zulks. Wat kunst betreft, heb ik geen voorkeur voor een bepaalde stroming, maar wel een zwak voor Japanse prentjes.

Over genen en interieur valt weinig zinnigs te zeggen. Wel zijn ook op dat vlak wetenschappers actief die verbanden leggen tussen persoonlijkheid en voorkeuren – en persoonlijkheid is deels genetisch bepaald. Volgens hen zou mijn rommelige bureau en dito huis mijn weinig consciëntieuze karakter verraden.

Ook zou het duiden op een extraverte persoonlijkheid, maar volgens de Big Five ben ik ‘ambivert’ (iets tussen introvert en extravert in). Komt die rommel in huis dan door de invloed van mijn partner? Nee: hij scoort evenmin hoog op extraversie. De vreemde verzamelingen zouden passen bij iemand die openstaat voor nieuwe ervaringen. Zulke types hebben ook vaak een gevarieerde boekenkast. Dat laatste klopt in elk geval wél bij mij.

Met dank aan Tinca Polderman van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Je omgeving heeft al invloed voor je geboorte

Sommige omgevingsfactoren bepalen je leven nog voordat je goed en wel ter wereld komt. Zo bepaalt het hormonale klimaat in de baarmoeder of een kinderbrein zich in homo- of heteroseksuele richting ontwikkelt, al is daar de eerste jaren nog niets van te merken.

Behalve op het brein kunnen baarmoederlijke omstandigheden ook invloed uitoefenen op het DNA. Niet op de DNA-volgorde zelf – die ligt als ze eenmaal is bepaald voor altijd vast –, maar wel op het uit- of aanzetten van gedeeltes van die genetische code. Een voorbeeld daarvan is honger. Van mensen die zijn verwekt in de hongerwinter is bekend dat ze vaker dan gemiddeld zijn opgezadeld met levenslange erfenissen in de vorm van sommige kankersoorten, versnelde veroudering, depressie, schizofrenie en asociaal gedrag.

Uit onderzoek blijkt dat voedseltekort rond de bevruchting tot gevolg heeft dat er als het ware slotjes op het DNA worden gelegd (voor de liefhebbers: dat zijn methylgroepen die zich nestelen tussen letters van het erfelijk materiaal). Daardoor is zo’n stukje DNA minder goed af te lezen. Deze genetische slotjes zijn van generatie op generatie overerfbaar.[/wpgpremiumcontent]