Het eerste dat opvalt aan de Engelse psychologe Susan Blackmore is haar schijnbaar tomeloze energie. Op het congres The Future of Psychology dat op 11 en 12 november 1999 door de vpsa (Vereniging Psychologie Studenten Amsterdam) werd georganiseerd, is zij een bruisende en druk gebarende spraakwaterval die eerder een perfomance geeft dan dat zij een lezing houdt. De liefde voor haar onderwerp lijkt de intensiteit van een kalverliefde te hebben en de graagte waarmee zij de scherpe kantjes opzoekt, roept associaties op met een dwarse puber. Zelfs haar motoriek is jeugdig. Als ze later op de dag haar jas gaat halen voor een foto in de buitenlucht, trekt ze een snel sprintje.

Blackmore is bezig aan haar tweede jeugd als psycholoog en om die in het juiste perspectief te plaatsen, is het nodig eerst stil te staan bij haar eerste carrière op het gebied van de parapsychologie. ‘Ik werd op dit pad gezet toen ik als student psychologie op negentienjarige leeftijd cannabis aan het roken was en naar muziek van Grateful Death luisterde. Ik had de ervaring dat ik buiten mijn lichaam trad en mezelf enkele uren van een afstandje kon bekijken. Dat was een fantastische, ontzagwekkende, verschrikkelijke ervaring, waarachtiger dan het

leven zelf. Daarna moest ik de draad van mijn gewone leventje oppakken en hiermee in het reine komen. De conclusie die ik voor mezelf trok, was dat er een leven na de dood moest zijn en dat paranormale verschijnselen reëel zijn.

Dat waren in die tijd echter geen ideeën waarmee je bij je docenten moest aankomen. Het behaviourisme [een theoretische stroming die zich op het standpunt stelde dat de psychologie zich uitsluitend moest bezighouden met uiterlijk waarneembaar gedrag – ab] vierde hoogtij en de colleges gingen voor een groot deel over ratten die de weg in dool hoven moesten leren kennen. Dit had weinig raakvlakken met de diepe vragen waar ik mee worstelde. Ik was vastbesloten om te bewijzen dat mijn docenten ongelijk hadden. Ik zou ze met gedegen experimenten bewijzen dat paranormale verschijnselen werkelijk bestaan.’

De wijsheid van tarotkaarten

‘Het bestuderen van paranormale ervaringen was voor mij niet voldoende. Ik wilde die werkelijkheid ook in mijn eigen leven een plaats geven. Ik bleef bijvoorbeeld drugs gebruiken om opnieuw uit mijn lichaam te kunnen treden. Daarnaast ging ik in mijn zoektocht naar andere vormen van bewustzijn mediteren. Ik vond in Bristol een zenmeester met een prettige aanpak. Hij hield niet van poespas en liet mensen niet visualiseren of zoiets, maar zei simpelweg: ,,Ga zitten en stop met denken.” Dan zit je dagenlang naar een witte muur te kijken en registreert hoe je geest reageert. Daar naast leerde ik tarotkaarten leggen en kreeg veel enthousiaste reacties. Ik wist mensen dingen over henzelf te vertellen waar zij zich over verbaasden.

De parapsychologische experimenten verliepen minder gunstig. In de eerste plaats waren er allerlei organisatorische problemen. Er zijn nauwelijks fondsen beschikbaar om dit soort onderzoek te doen en daardoor zou het tot mijn veertigste duren voor ik een baan zou vinden. Ik had geen echte collega’s en moest mijn eigen weg vinden. Dit lukte in zoverre dat ik bekend werd in de wereld van de parapsychologie.

Een groter probleem was dat mijn experimenten allemaal negatieve resultaten hadden. Buitenzintuiglijke waarneming en telepathie bleken tijdens mijn experimenten niet op te treden, en het lukte evenmin mensen te vinden die hun helderziendheid behielden onder gecontroleerde omstandigheden. Het begon mij langzaam te dagen dat ik op een dood spoor zat. De onstoffelijke wereld die ik wilde ontsluiten, leek niet te bestaan.

De echte klap kwam echter pas toen ik mijn eigen vaardigheid met de tarotkaarten op de proef stelde. Een assistent liet tien proefpersonen kaarten trekken en ik gebruikte de getrokken kaarten om een schriftelijke persoonlijkheidsanalyse te maken. Na afloop konden de proefpersonen met een cijfer van één tot tien aangeven welke beschrijving het meest op hen van toepassing was. Hier bleek echter niets uit te komen. De proefpersonen konden ‘hun beschrijving’ absoluut niet herkennen. Daarna heb ik hetzelfde experiment nog twee keer herhaald, maar telkens met dezelfde uitkomst. Het enthousiasme dat ik als tarotkaartenlegster losmaakte, kwam voort uit het persoonlijke contact, niet uit de wijsheid van de kaarten.’

Tegen de muur

‘Ik vond deze uitkomst beangstigend, omdat ik besefte dat de meeste mensen die op dit terrein actief zijn geen charlatans zijn, maar oprecht geloven in wat ze doen – net zoals ik dat vroeger deed. Kaarten leggen heb ik altijd met liefde gedaan en ik vond dat ik er talent voor had. Na de experimenten ben ik er echter mee opgehouden. Vroeger koesterde ik de gedachte dat er een waarheid is die onafhankelijk van mijzelf en anderen bestaat, maar tegenwoordig vind ik dat je mensen niet moet voorhouden dat hun lot in de kaarten of de sterren staat geschreven. De herkenning is voor mensen misschien prettig, maar het is gezonder als je onder ogen ziet dat je de loop van je leven zoveel mogelijk zelf moet bepalen.

Uiteindelijk heb ik mij vijfentwintig jaar met de parapsychologie beziggehouden, voordat ik zeker wist dat de onderzochte verschijnselen geen werkelijkheidsgehalte bevatten. Dit heeft me wel een zekere bekendheid opgeleverd als scepticus. Als de bbc weer eens een programma over dit onderwerp had, mocht ik opdraven als deskundige die kon uitleggen dat het allemaal suggestie was.

Je zou mijn jaren als parapsycholoog kunnen samenvatten met de beeldspraak dat ik vol enthousiasme een doodlopende steeg ben ingeslagen, om vervolgens hard met mijn hoofd tegen een muur te botsen. Tegelijkertijd was deze ervaring voor mij als wetenschapper in zekere zin een soort lakmoesproef. Want dit is natuurlijk waar het in de wetenschap om draait. Je hebt bepaalde theorieën over hoe een mens in elkaar zit, die toets je en als die dan niet blijken te kloppen, moet je van gedachten veranderen.

Het was niet alleen een desillusie dat de paranormale verschijnselen niet aantoonbaar waren. De muur waar ik tegenaan knalde, bleek uiteindelijk een papieren decor te zijn. Ik kwam in een nieuwe wereld terecht, waarvan ik het bestaan niet vermoed had. Het was bijna een wedergeboorte.’

Ziek in bed

‘Ondanks het feit dat ik mijn neus had gestoten, behield ik mijn belangstelling voor fundamentele vragen over hersenen, geest en bewustzijn. Wat dat betreft ben ik vasthoudend, al zou je ook kunnen spreken van koppigheid, want het is bepaald niet denkbeeldig dat ik opnieuw een dood spoor zal kiezen. Ik had wel enige tijd nodig om mijn draai te vinden en uiteindelijk kwam het noodlot mij te hulp. Ik raakte besmet met een akelig virus en omdat ik nauwelijks een paar stappen kon zetten, moest ik het bed houden. Ik kon weinig anders dan af en toe een halfuurtje lezen en koos uit de stapel nog te lezen boeken Darwin’s dangerous idea van Daniel Dennett. Hij bracht mij op het idee dat de evolutietheorie toegepast kan worden om de menselijke geest op een nieuwe manier te begrijpen. Mijn boek The meme machine zou totstandkomen door een ziekte die uiteindelijk twee jaar duurde. In mijn voorwoord bedank ik de ziekte dan ook voor de bewezen diensten.’

De centrale these in het boek van Blackmore is dat de aparte plek die mensen in het dierenrijk innemen, te danken is aan hun uitzonderlijke vermogen tot imitatie. Dit talent is zo vanzelfsprekend voor mensen dat zij nauwelijks opmerken welke belangrijke rol het speelt, net zoals een vis met wetenschappelijke belangstelling het water als laatste zou ontdekken. Imitatievermogen stelt mensen in staat om uitdrukkingen, melodietjes, modes en ideeën van elkaar over te nemen. Als één slimmerd op het idee komt stenen werktuigen te gebruiken, nemen anderen dat makkelijk over. Ook het wiel hoeft maar één keer uitgevonden te worden. ‘De term na-apen is helemaal fout. Elkaar nadoen is typisch menselijk, terwijl apen hier nauwelijks toe in staat zijn.’

De verschillende imitaties die van persoon tot persoon worden doorgegeven beschrijft Blackmore als memen. Het gaat daarbij om alles wat door mensen – of computers – gekopieerd wordt. Een meme kan zowel een nieuw woord zijn als de strekking van een verhaal. Het begrip meme heeft Blackmore ontleend aan de zooloog Richard Dawkins, die de term gebruikte in zijn boek The selfish gene. Het proefballonnetje van Dawkins is door Blackmore uitgebouwd tot een serieuze theorie. ‘Deze memen kunnen we op dezelfde manier bestuderen als de genen, omdat ze aan evolutie onderhevig zijn. Evolutie is onvermijdelijk als je een combinatie hebt van drie kenmerken. Allereerst moet er binnen een popu latie sprake zijn van variatie. Het tweede kenmerk is dat de omgeving niet toestaat dat alle organismen overleven. Sommige doen het beter dan andere. Er is sprake van selectie. Het derde kenmerk is dat er een proces is waarbij de nakomelingen bepaalde kenmerken van hun ouders erven. Dennett noemt deze drietand het evolutionaire algoritme.’

Voortplanting in het brein

Het evolutionaire algoritme is van toepassing op memen. De variatie in memen is vrijwel onbeperkt en het valt niet te ontkennen dat zij bloot staan aan een sterke selectiedruk. Als we afscheid nemen, kunnen we kiezen uit ‘goedendag’, ‘tot ziens’, ‘dag’, ‘hoi’, ‘de mazzel’, ‘de ballen’, ‘doei’, ‘doeg’, ‘zie je’ of ‘hou doe’. Memen die niet meer doorgegeven worden, sterven uit. Het derde kenmerk is dat de memen ‘nakomelingen’ kunnen krijgen, ofwel dat zij gekopieerd kunnen worden. De menselijke hersenen zijn hiervoor een uitstekend medium.

‘De aanwezigheid van de drie voorwaarden voor het ontstaan van een evolutionair proces zijn aanwezig, dus dan is het onvermijdelijk dat evolutie plaatsvindt. Het loont daarom de moeite de menselijke geest vanuit dit standpunt te analyseren. Ik beschrijf dit onder de noemer universeel darwinisme. De wereld zit vol met gastheren voor memen – breinen – en veel meer memen dan ooit gereproduceerd kunnen worden. Welke kenmerken moeten memen hebben die zullen over leven?

Een uitstapje naar de wereld van computers en Internet, kan dit duidelijk maken. De meeste mensen die beschikken over email, zullen wel eens een briefje gehad hebben waarin zij worden gewaarschuwd voor een verschrikkelijk computervirus dat hun harde schijf zal wissen als zij een bepaald mailtje zullen openen. De lezer wordt verzocht om het mailtje aan alle bekenden door te sturen, om te voorkomen dat anderen er de dupe van zullen worden. Alleen de ervaren gebruikers weten dat het virus waarvoor gewaarschuwd wordt niet bestaat en alleen het bericht zelf zich als een virus verspreidt. Het is een meme die zichzelf instandhoudt. De computergebruiker krijgt expliciete instructies om het bericht te kopiëren en hij doet dat graag om zijn vrienden te behoeden voor vreselijk onheil. Deze slimme constructie geeft de meme een grote overlevingskans.’

Nutteloze gewoonten en informatie kunnen zich als een virus verspreiden dankzij kenmerken die de kans vergroten dat zij van brein naar brein worden doorgegeven. ‘Ik zou het geloof in telepathie als zodanig beschouwen. Dit idee blijft voortleven, omdat het mensen het gevoel geeft dat zij minder alleen zijn. Toch blijft het een illusie. Mijn zoon of dochter kunnen op dit moment overleden zijn, zonder dat ik daar enig idee van heb. Het geloof in telepathie biedt een remedie tegen deze ongemakkelijke gedachte en dat houdt deze meme springlevend. Andere memen worden doorgegeven omdat zij kwaliteit hebben. Zij zijn mooi, goed of waar.’

Altruïsme zou zich op een vergelijkbare manier in de wereld kunnen handhaven. De gedachte is dat attente, aardige mensen meer vrienden hebben en daardoor zijn andere mensen meer geneigd iets van hen aan te nemen. Altruïsten fungeren als een soort meme-sproeiers, als verspreiders van ideeën. Een van de memen die op die manier extra kans maakt op verspreiding, is het idee dat je aardig moet zijn. Op die manier kan de meest pure en onzelfzuchtige generositeit zich handhaven. Vanuit een genetisch perspectief herleidt men altruïsme tot verkapte vormen van eigenbelang, maar vanuit het standpunt van de memen is het heel plausibel dat echte goedheid overleeft. Andersom biedt botte onvriendelijkheid weinig overlevingskansen. Dit stoot mensen af en deze memen verliezen de ratrace om het voortbestaan.

Een lieve machine

‘Darwin’s dangerous idea maakt de schepper als centrale instantie overbodig. Het leven op aarde is tot stand gekomen zonder doel of vooropgezet plan. Het is simpelweg het product van de competitie tussen de genen, oftewel: de combinatie van variatie, selectie en erfelijkheid. Ik suggereer dat we dezelfde stap moeten maken als het gaat om de menselijke geest. Wij zijn het product van in een onderlinge concurrentiestrijd verwikkelde memen. In deze optiek is er geen plaats meer voor vrije wil, een ‘zelf’ of bewustzijn; dat zijn slechts illusies, memen zonder bestaansgrond. Jij en ik zijn gewoon machines met het vermogen tot imitatie, met de mogelijkheid memen op te nemen en te verspreiden. We denken het lot in eigen handen te hebben, maar we zijn een speelbal.

Deze gedachte roept bij mensen twee geheel tegenstrijdige reacties op. Soms krijg ik brieven van mensen die hun intuïtieve wereldbeeld bevestigd zien en die opgetogen melden dat er eindelijk iemand is opgestaan die dit gevoel in een concrete vorm heeft gegoten. Veel vaker krijg ik echter verontwaardigde reacties. Deze lezers vrezen dat mijn kijk op de mens de doodsteek zal zijn voor de moraal en zal leiden tot allerlei uitwassen. Ikzelf zie echter niet in waarom dit zo zou zijn. Ook zonder vrije wil bestaan liefde, passie, vriendelijkheid en mededogen. Ik zou ook niet weten waarom we een einde zouden moeten maken aan de rechtsstaat met de bijbehorende rechtsspraak. Dit functioneert ook zonder de illusie van de vrije wil.

Ik denk juist dat we dankzij mijn theorie betere mensen kunnen worden. Nu ik weet dat mijn ‘zelf’ een illusie is, maak ik mij minder zorgen over hoe ik overkom en dergelijke. Ik ben niet geobsedeerd door de gedachte hoe geweldig ik ben en hoe indrukwekkend dit interview moet worden. Zonder ‘zelf’ is dergelijke ijdelheid onzinnig en daardoor kan ik meer openstaan voor de dingen die de ander te berde brengt. Zonder een ‘zelf’ dat we tevreden moeten houden, kunnen we de combinatie van de memen en ons brein gewoon hun beslissingen laten nemen. Compassie en mededogen volgen vanzelf, want zonder je ‘zelf’ als obstakel zie je wat de ander nodig heeft en wat in een bepaalde situatie gedaan moet worden. Het besef dat we niet meer dan machines zijn, maakt mensen vrij.’ n

Drs. A. Bergsma, psycholoog en redacteur van Psychologie Magazine

Blackmore, S. (1999) The meme machine. Oxford: Oxford University Press[/wpgpremiumcontent]