Kinderen die elkaar telkens in de haren vliegen: gék word je ervan. De Amerikaanse communicatietrainsters Adele Faber en Elaine Mazlish schreven er een boek over dat onlangs ook in Nederland verscheen. Een paar tips daaruit:

– Erken negatieve gevoelens over broers of zussen en benoem ze. Zeg bijvoorbeeld: ‘Je vindt het niet leuk dat ik zoveel tijd met de baby bezig ben, hè?’ Of: ‘Dat je broer je dom noemt, maakt je boos.’

– Vergelijk je kinderen niet met elkaar. Het gedrag van het ene kind heeft niets te maken met dat van het andere. Zeg bijvoorbeeld: ‘Je moet op tijd thuis zijn’ in plaats van: ‘Je zusje is wél altijd op tijd.’

– Probeer niet alles gelijk te verdelen, maar kijk waar op dat moment behoefte aan is. Als je kind bijvoorbeeld klaagt dat zijn broertje meer yoghurt heeft gekregen, zeg je: ‘O, heb je zo’n honger?’ in plaats van ‘Jullie hebben evenveel gekregen.’

– Geef kinderen geen vaste rolverdeling, zoals: jij bent de brave, je zusje is de sportieve. Geef hun de kans te veranderen.

Adele Faber en Elaine Mazlish, How2talk2kids. Broers en zussen zonder rivaliteit, uitgeverij How2talk2kids, € 22,50