Waarom werkt een bepaald antidepressivum bij de een goed en doet het bij de ander niets? Tot nu toe was dat voor psychiaters lastig te verklaren, laat staan te voorspellen. Zwitserse onderzoekers stellen nu dat ze een flinke tip van de sluier hebben opgelicht.

Basistraining

Omgaan met depressie

  • Leer depressie beter begrijpen aan de hand van de laatste wetenschappelijke inzichten
  • Ontdek welke eerste stappen je kunt zetten om beter met je depressie om te gaan
  • Met inspirerende video's en artikelen
bekijk de training
Nu maar
€ 35,-

De onderzoekers gaven volwassenen die eerder een depressie hadden doorgemaakt ofwel een middel dat hun serotoninevoorraad voor een paar dagen leegde, ofwel iets wat ze korte tijd van hun noradrenalinevoorraad beroofde. Beide neurotransmitters spelen een rol bij ons welzijn; een tekort eraan kan dus depressieve gevoelens oproepen. Dat gebeurde dan ook bij de proefpersonen. Ze voelden zich zonder uitzondering ellendiger.

Maar er waren een aantal duidelijke verschillen tussen de groep met het serotoninetekort en die met het noradrenalinetekort. Volgens de onderzoekers kunnen die verschillen psychiaters helpen vast te stellen welk type depressie een patiënt heeft, en welk antidepressivum daardoor het best zal uitpakken.

Het lijkt erop dat er twee typen depressie zijn:
• Een depressie door serotoninetekort. Hierbij overheersen somberheid, verdriet en hopeloosheid;
• Een depressie door noradrenalinetekort. Hierbij overheersen concentratieproblemen, energiegebrek en angstverschijnselen als trillerigheid, zweten en kortademigheid.

Serotonin versus catecholamine deficiency, Translational Psychiatry, maart 2015