Wat is uw grootste jeugdzonde?

‘Op mijn zeventiende en achttiende ben ik een paar keer alleen op de fiets de wildernis in getrokken, heel Amerika door. Soms was ik dagenlang afgezonderd van de bewoonde wereld. Dat maakte me helemaal gelukkig: het was alleen ik, mijn fiets en de natuur. Er waren nog geen wifi en iPhone, en de mobiele telefoons uit Europa werkten daar nog niet. Niemand wilde iets van me. Ik kwam voornamelijk herten en wolven tegen en sliep alleen in een tentje. Je raakt dan echt verbonden met jezelf, omdat je niet wordt afgeleid door andere mensen. Ik realiseerde me dat alles waarvan ik dacht dat het belangrijk was, dat helemaal niet is. Zoals elke ochtend drie kranten lezen: daar kan iemand prima zonder. Maar waar een mens niet zonder kan, zijn de mensen van wie hij houdt. Gelukkig was er altijd wel een telefooncel te vinden waar ik mijn familie en vrienden kon bellen.

Waarom ik die gedenkwaardige tochten dan toch mijn jeugdzonde noem? Omdat ze ook een vlucht waren uit de harde realiteit. Ik trok me daar lekker terug in mijn eigen wereldje, en als ik dan terugkwam in de gewone wereld, met al zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen, viel die vies tegen. Maar ja, uiteindelijk moet iedereen er toch aan meedoen.’

Wat was uw moeilijkste beslissing?

‘Daar heb ik jaren over gedaan. Ik ben er vijf jaar geleden zelfs voor in therapie gegaan. Continu had ik het gevoel in een soort mist rond te lopen. Ik was pas afgestudeerd in de rechten en twijfelde of ik de vervolgopleiding tot advocaat moest volgen. Steeds vroeg ik me af: wat wil ik nou met mijn leven? Ik werd er een beetje tureluurs van dat ik nergens het heilige vuur voor had. Ik werkte een halfjaar op een makelaarskantoor en dat interesseerde me geen biet, tijdens mijn rechtenstudie was ik altijd het sukkeltje van de klas, en daarvoor zat ik een tijdje op de toneelschool, waar het hetzelfde liedje was: mijn medestudenten waren zeer bevlogen, maar ik had geen zin om er hard voor te werken.

Aan passies ontbrak het me niet: ik drumde als kind fanatiek, tekende veel, en als tiener was ik hoofdredacteur van mijn eigen dierentijdschrift. “Maar die dingen zijn alleen geschikt als hobby,” zeiden de volwassenen om me heen. Zelf dacht ik ook dat ik niet goed genoeg was om er mijn werk van te maken. Achteraf zeg ik: ik heb lange tijd niet de moed gehad mijn hart te volgen. Gewoon, omdat ik bang was voor de ­onzekerheid over geld en carrière waarmee ik dan te maken zou krijgen.

Uiteindelijk zette de therapie me op een ander denkspoor. Ik besefte: als ik doorga met de advocatenopleiding, houd ik steeds minder tijd over om te doen wat ik echt wil. Diep in mijn hart wist ik allang wat dat was: verdergaan met schrijven.

De therapie heeft me geleerd dat het niet erg is in de mist te zitten. Die hoort erbij, het heet “leven”! Je kunt beter tegen jezelf zeggen: “Wat er ook gebeurt, ik weet er wel mee om te gaan.” Dat werkte bevrijdend voor mij. Toen ik dat besefte, hoefde ik geen advocaat meer te worden. Ik nam een halve baan als broodjessmeerder en ging de rest van de tijd schrijven. Mijn eerste vier boeken kreeg ik niet gepubliceerd, maar dat maakte niet uit. Ik kon me redden en had me nog nooit zo tevreden gevoeld.’

Wat is uw grootste levensles?

‘Die heb ik geleerd toen ik voor het schrijven koos: wie waagt, die wint. En dan maakt het dus niet uit of je ergens succes mee hebt. Waar het om gaat, is dat je het hebt geprobeerd. De waarheid over de zaak Harry Quebert is mijn zesde boek en het eerste dat goed verkoopt. Ontzettend leuk dat het een wereldwijde bestseller is geworden, maar het is ook een toevalstreffer, en verkoop en roem geven niet de diepste voldoening. Die zit vooral in de trots dat ik er een ervaring rijker door ben geworden. Het is de poging die gelukkig maakt, niet het succes.’

Welk cijfer geeft u uw uiterlijk?

‘Hmm, op dat gebied ben ik niet zo’n fan van mezelf. Mijn neus, mijn oren en mijn tanden bijvoorbeeld hadden allemaal mooier gekund. Het liefst had ik er als David Beckham uitgezien, of zoals al die andere aantrekkelijke mannen uit commercials, maar helaas. Weet je wat het funeste is met uiterlijk? We ­leven in een wereld van supermodellen, en dan zien we onszelf daarna in de spiegel: wat een tegenvaller is dat. Tja, ik haal mijn schouders er maar over op, ik kan mezelf toch niet mooier maken. Wat ik wél kan doen, is proberen de beste versie van mezelf te zijn, bijvoorbeeld door elke dag hard te lopen om in conditie te blijven.’

Wat is uw grootste zorg?

‘We leven in zo’n vreemde wereld. Het wordt voor mijn generatie steeds moeilijker een plek te veroveren. Ik zie mijn vrienden daar echt mee worstelen. Ieder mens zou de vrijheid moeten hebben om zichzelf te zijn, te denken wat hij wil en aan zijn eigen leven vorm te geven. Maar twintigers mogen niet te veel verwachtingen meer hebben van hun toekomst: na vijf jaar universiteit krijgen ze te horen dat er geen baan voor ze is. Elke dag lees je in de krant dat het niet lang meer duurt voordat er te veel mensen op aarde wonen. Hoe moet het verder met onze planeet als je bedenkt dat we vorig jaar augustus alle energie voor heel 2013 al hadden verbruikt?

Daar komt nog bij dat onze maatschappij doordrenkt is van egoïsme: we leven in een wereld van selfies. De meeste mensen doen tegenwoordig vooral waar ze zelf zin in hebben, zonder aan anderen of het grotere geheel te denken. Wat ze vergeten is dat hun eigen vrijheid ophoudt waar die van de ander ­begint. Als het zo doorgaat, krijgt mijn generatie nooit de kans te groeien en te bloeien. Het wordt tijd dat we worden gehoord en gerespecteerd. Ook wij hebben het recht er een betere wereld van te maken.’

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?

‘Ik ben een goeie huiler. Bij een film schiet ik al vol. Maar een paar weken geleden had ik het echt even te kwaad. Ik was een speech aan het schrijven voor de herdenkingsdienst voor mijn oudoom. Die is vorig jaar overleden, en ineens voelde ik me zó intens alleen. Al sinds mijn vierde ging ik op een vaste dag in de week bij die man eten. Ik heb veel van hem geleerd. Hij had van die mooie levenslessen, zoals: “Vergeet nooit medemenselijk te zijn” en “Geef altijd wat geld aan zwervers”. Hij zat ook vol humor en zelfspot. Zo vertelde hij een keer dat hij geld wilde geven aan een zwerver, en dat die man zei: “Dank u de koekoek, dacht u nu echt dat ik geld aanneem van oude mensen?” Haha, ik word weer helemaal blij nu ik eraan denk. Tegengif voor mijn verdriet.’

Wat is uw grootste angst?

‘Om dood te gaan, want het liefst blijf ik eeuwig leven. Vooral de afgelopen maanden heb ik doodsangst. Ik ga zo ongeveer elke drie dagen de lucht in om ergens in de wereld mijn boek te promoten. Ik heb geen vliegangst, maar ik word toch onrustig als zo’n machine onderweg begint te schudden. Het eerste wat dan in me opkomt, is: alsjeblieft, laat het niet nu al afgelopen zijn, hier in dit stomme vliegtuig, zonder de mensen om wie ik geef. Ik vind het leuk om in Amsterdam met jou te praten, hoor, maar de uiteindelijke reden daarvoor is toch om meer boeken te verkopen en meer geld te verdienen. Waarvoor in vredesnaam? Geld en een dure Mercedes zijn het niet waard om voor te sterven.’

Hoe vindt u het om ouder te worden?

‘Wat me erg lijkt, is de aftakeling: dat je moet inleveren. Jonge mensen, zoals ik, worden overal steeds beter in en voelen zich goed en sterk. Maar er komt een moment dat het alleen nog maar achteruitgaat. Als ik op straat een oude man met een wandelstok voorbij zie kuieren, is mijn eerste gedachte: arme kerel, zo word ik zelf nooit. Maar vervolgens besef ik: shit, als ik zo oud ben, loop ik zelf waarschijnlijk ook niet meer goed. Misschien kan ik dan niet meer praten, of ben ik blind. Nou ja, misschien moet ik het leven maar zien als een reis, met in het laatste traject ook weer veel interessants om mee te maken.’

Waar komt u ’s nachts uw bed voor uit?

‘Voor hardlopen. Dat is echt een van de beste dingen die me zijn overkomen. Eigenlijk vind ik het vreselijk: het is saai, en het doet pijn. Ook is het vaak koud en donker buiten, of regent het weer eens. Maar door lang genoeg vol te houden gebeurt er iets magisch: het wordt plezierig. Dat heeft te maken met onszelf overwinnen. Elke dag hardlopen betekent elke dag oefenen met doorgaan wanneer we eigenlijk willen stoppen. Het maakt me een betere schrijver: sinds ik regelmatig hardloop, blijf ik veel langer stug doorploeteren wanneer ik ben vastgelopen in een hoofdstuk.’

Wat is uw geheime verlangen?

‘O, ik verlang stiekem naar heel veel. Ik zou graag brandweerman zijn, en piloot, en politieagent, en eilandbewoner, en bokser, en boswachter in Canada. Gewoon, omdat ik nieuwsgierig ben naar hoe het voelt al die levens mee te maken. Ik heb er ook heel banale redenen voor, hoor. Zo wil ik brandweerman zijn omdat ik brandweerauto’s cool vind. Maar als je me echt dwingt te kiezen voor wat ik het állerliefst wil, zeg ik: ik hoop dat ik, als mijn einde nabij is, met een gerust hart kan zeggen: “Ik heb een goed en gelukkig leven geleid.” Door wat ik heb gedaan, de wijze keuzes die ik heb gemaakt, de mensen die ik heb liefgehad en die van mij hebben gehouden. Mijn laatste adem uitblazen zonder een spoortje angst, ja, daar zou ik voor tekenen.’

Joël Dicker (29) is geboren en getogen in Genève, als zoon van een leraar Frans en een boekverkoopster. Nadat hij aan de universiteit van Genève zijn doctoraal rechten had behaald ging hij romans schrijven.

In 2012 brak hij door met De waarheid over de zaak Harry Quebert (De Bezige Bij, € 19,90): een meeslepend verhaal over een jonge schrijver die probeert te achterhalen wat zijn leermeester dertig jaar geleden te maken had met de verdwijning van een meisje. Het boek kreeg een aantal literaire prijzen en wereldwijd zijn er inmiddels miljoenen exemplaren van verkocht.[/wpgpremiumcontent]