Jaren geleden kreeg Hans Wiegel voor een volle zaal de wind van voren. ‘Lul’, slingerde een van de aanwezigen hem naar het hoofd. Wiegel diende de spreker onmiddellijk van repliek. ‘Fijn dat u zich even voorstelt’, antwoordde hij. ‘Mijn naam is Wiegel.’

De anekdote illustreert treffend hoe je een persoonlijke aanval in een debat met een kwinkslag kunt pareren. ‘Je moet er maar opkomen’, lacht Peter van der Geer, oprichter van Bureau debat & dialoog, en vandaag onze docent tijdens de cursus ‘Gelijk hebben, gelijk krijgen’. Zo ad rem als Wiegel zijn wij, zijn zes cursisten, nog lang niet, maar we hopen wel trucs en tips te leren, zodat we in de toekomst beter kunnen bekvechten. Samen met vijf ambtenaren die net als ik in hun werk debatvaardigheden kunnen gebruiken, luister ik in een Haags conferentieoord gretig naar de aanwijzingen van de cursusleider. Natuurlijk willen we allemaal gelijk krijgen, maar hoe krijg je dat voor elkaar?

‘Er zijn twee stijlen van overtuigen’, zegt Van der Geer. ‘Je kunt mensen overtuigen door te proberen ze te overwinnen, in het Latijn is dat convincere. Dat doe je door vechtgedrag, door te scoren, door verschillen te benadrukken, door de ander te onderbreken. En je kunt overtuigen door anderen voor je te winnen, in het Latijn persuadere. Deze stijl komt neer op verleiden, de ander laten spreken, veel vragen stellen, overeenstemming suggereren. De laatste stijl is beter; ervaren debaters passen de vechtstijl alleen toe in uitzonderlijke situaties, als ze bijvoorbeeld moeten reageren op ernstige verwijten.’

In een debat weten goede sprekers dat ze het niet alleen van argumenten moeten hebben. Argumenten zijn belangrijk, maar het gaat ook om je uitstraling: hoe betrouwbaar, competent en integer kom je over. En om je inlevingsvermogen: je moet in contact staan met je publiek, je standpunt laten aansluiten bij de ideeën van de ander. Logos, ethos en pathos zijn de drie overtuigingsmiddelen, leerde Aristoteles al.

Logisch, denk ik, en ook mijn medecursisten knikken instemmend. Oké, zegt Peter van der Geer, nu zijn jullie aan de beurt. Over welke stelling willen jullie debatteren? Het koningshuis moet afgeschaft worden? Of willen jullie liever bekvechten over de stelling: alle dierentuinen moeten dicht? ‘De dierentuin’, roept mijn overbuurman. ‘Nee, het koningshuis’, werpt zijn collega tegen. We dreigen het nu al oneens te worden, maar niemand heeft echt goede argumenten, dus krijgt de dominante overbuurman zijn zin.

Vol goede voornemens bereid ik me met mijn subgroepje voor. Alle dierentuinen moeten dicht en wel om drie redenen: dierentuinen bieden een onnatuurlijke leefomgeving, het zijn dierenleedproducerende instellingen. Bovendien verslinden ze energie en geld, en zijn ze slecht voor het milieu. Weet je wel hoeveel een olifant per dag poept? Zo, daar hebben ze niet van terug. De anderen komen vast met educatieve argumenten, veronderstellen we. En ze zeggen natuurlijk dat dierentuinen een recreatieve waarde hebben. We bedenken argumenten om hun beweringen te weerleggen. Vastgebeten in onze stelling vinden we opeens echt dat dierentuinen dicht moeten. We hebben er zin in.

Het begin gaat goed. Mijn buurvrouw houdt staande haar pleidooi, ze blijft rustig en kiest weloverwogen haar woorden. Er wordt niet geïnterrumpeerd. Ook de tegenpartij krijgt de kans om zich goed uit te spreken. Maar in de vrije discussie stranden onze goede voornemens. In plaats van te verleiden, zijn we aan het vechten. ‘Weet je dat sommige dieren in gevangenschap hun poot opeten’, roep ik verontwaardigd als mijn overbuurman suggestief vraagt of ik wel eens in een dierentuin ben geweest. ‘Heb jij wel eens een panter met drie poten gezien?’ grijnst hij. Na nog een minuut ben ik al mijn goede voornemens vergeten en hoor ik mezelf zeggen: ‘Hou jij eens je mond, je bent irritant!’

Een kwartier later zijn we alle zes uitgeput, maar Peter van der Geer vindt dat het nogal meevalt. ‘Ik heb wel eens iemand zien flauwvallen tijdens een debat’, zegt hij. ‘Van emotie. Waarom hebben jullie trouwens nauwelijks vragen gesteld? Je kunt op twee manieren de bewijzen van de tegenpartij weerleggen. Door het tegendeel aan te tonen, of door twijfel te zaaien, en dat doe je door goede vragen te stellen. En waarom hebben jullie niet naar overeenstemming gezocht?’ Hij wijst ons fijntjes op drogredenen, zoals mijn persoonlijke aanval op de irritante overbuurman en de overhaaste generalisatie dat alle dierentuinen leed produceren.

We krijgen gelukkig een herkansing. Aan het eind van de dag moeten de drie mannen de stelling verdedigen dat vrouwen betere leiders zijn. En de vrouwen moeten beargumenteren waarom mannen juist betere managers zijn. We redeneren, luisteren, stellen vragen en verdringen elkaar voor de denkbeeldige microfoon. We leven ons in, proberen competentie uit te stralen en komen met redelijke argumenten. En juist op het moment dat we als kemphanen en bitches dreigen te gaan schreeuwen, grijpt Peter in: ‘Stop, zo is het mooi geweest.’ Maar we kunnen niet meer ophouden. ‘Ik ben het er niet mee eens’, roept mijn buurvrouw. ‘Zie je wel’, zegt de overbuurman: ‘Vrouwen zijn emotioneler dan mannen. Daarom kunnen ze ook beter leidinggeven.’

• debat&dialoog: tel. 023-5629972

• Peter van der Geer, De kunst van het debat, Den Haag: Sdu uitgevers, ISBN 90 12 09252 3[/wpgpremiumcontent]