Kijk ze stoeien, die kleine rakkers. Rollebollen en doen alsof, gewoon voor het plezier. Vrijwel alle jonge en warmbloedige dieren spelen dat het een lieve lust is. Maar zelfs gifpijlkikkers, wespen en sommige vissen houden van donderjagen. Net als kinderen die een tijd in een schoolbankje of autostoeltje hebben ‘vastgezeten’ gaan dieren die een poosje niet mogen spelen zelfs ‘rebound spelen’: extra hard klieren en wildebrassen om hun speeltekort in te halen. Spelen is blijkbaar ook heel erg belangrijk.

We oefenen niet alleen met vaardigheden die we in de toekomst nodig hebben voor serieuze zaken, zoals vluchten en jagen. Wie speelt maakt stofjes aan die zenuwgroei in de hersenen bevorderen, vooral in gebieden die essentieel zijn voor het verwerken van emoties en het nemen van beslissingen. Spelen leidt tot mentale souplesse, probleemoplossend vermogen en sociale vaardigheden.
Als de hersenen zijn volgroeid, stoppen de meeste dieren en mensen met spelen.

Maar wie tot op hoge leeftijd speels weet te blijven is minder vatbaar voor neurologische problemen en mentale roest. Neem dus een voorbeeld aan het volwassen nijlpaard dat onder water koprollen maakt, aan de kraai die zich krijsend langs een besneeuwd dak laat roetsjen en de bejaarde poes die zich nog laat verleiden om te voetballen met een kurk. Het leven wordt er ook nog eens een stuk plezieriger van.