Wie ben je?

‘Vertel mij maar eens wie ik ben! Ik heb geen idee. Van jongs af aan is mijn rol fluïde. Ik ben opgegroeid in een groot gezin waarvan de samenstelling nogal eens wisselde, dus ik ben de oudste, de jongste en de middelste geweest. Ik ben dat lelijke boekenwurmpje met bril en hazentanden geweest dat in een hoekje zat te duimen, maar ook het sexy pronkzusje dat mijn broers meesleurden op avondjes uit.

Wij zaten vooral binnen, op een etage aan een Utrechtse straat, en ik nam het allemaal waar vanuit de zijkamer. Ik was de observator. Heel lang heb ik gedacht dat ik, door te observeren en waar te nemen, niets met mijn familie te maken had: “Ik ben de ogen en het papier, ik sta op afstand van ze.” Maar toen ik zat te schrijven aan mijn nieuwe boek, Koudvuur, dat over mijn jeugd gaat, realiseerde ik me: ik ben die mensen zélf. Ze zitten in mijn bloedbaan.

Negen jaar geleden debuteerde ik met een verhalenbundel. Ik werd “die schrijfster”, waardoor ik aanvankelijk nog meer het idee kreeg dat ik mijn achtergrond was ontstegen. Ik dacht dat het me gelukt was de quantum leap te maken: “Ik héb er al nooit bij gehoord, en nu heb ik er helemáál niks meer mee te maken.” De lezers waren gefascineerd, ze vonden mijn verhalen raar en absurd, zeiden ze. Ik had er bijvoorbeeld eentje geschreven, ‘Paling en preken’, over mijn verstandelijk gehandicapte broertje. Hoe hij elke dag naar de overkant ging, naar de viswinkel, waar hij de angsten die hem op de nonnenschool waren aangepraat, afreageerde op levende palingen. Hij hield hele toespraken tegen die palingen. Aan het eind van zo’n toespraak gaf hij ze dan een tik en gooide hij ze in de bak met dooie palingen. Dat verhaal kon niet echter gebeurd zijn, maar doordat mensen het zo bizar vonden, ging ik sommige familieleden zelf ook steeds meer zien alsof het circusartiesten waren, elementen uit een rariteitenkabinet.

Totdat mijn ouders de ouderdom in gleden, voortdurend ziek, zwak en misselijk werden en tegen elkaar aan aan het instorten waren. Dat maakte me steeds melancholieker. Had ik niet al die tijd met een hele rare bril op zitten terugkijken? Die mensen waren toch juist heel dicht bij mij? Waarom was ik ze raar gaan vinden? Alleen maar omdat ik heb opgeschreven wat ik heb gezien?

Nu besef ik: ons gezin was één lichaam. We zaten heel dicht op elkaar, het huis was te klein voor het aantal mensen. Ik sliep in één bed met mijn veel oudere zus, die wegens relatieproblemen bij ons inwoonde. Een volwassen vrouw, dus die flikkerstraalde mij in haar slaap al woelend en duwend dat bed uit. En dan had je ook nog mijn broers: groot en zwaargebouwd. Dat denderde dan de trap op. Ze zaten ongemakkelijk, met te grote lijven in te krappe ruimten, met te grote voeten, te grote alles. We hadden ook een enorme volière in de kamer waar een stuk of dertig vogels tegen elkaar in zaten te pikken. Om maar niet te spreken over het lawaai van het verkeer dat buiten door de straat raasde. ­Iedereen moest hard praten, en snel. Het was een kakofonie van geluid. Mijn moeder zat altijd om de tafel met mijn zussen, te roken en koffie te drinken. We hadden een grote koffietank, want er viel niet tegenaan te zetten met een gewoon koffiezetapparaat. Asbakken puilden uit. Nu ik eraan terugdenk, merk ik dat ik er zó van doortrokken ben, van dat leven daar. Ik voel ook het verlangen van die mensen: al die dingen die ze niet hebben gekregen van elkaar, of bij elkaar kapot hebben gemaakt, of in zichzelf kapot hebben gemaakt. Ik weet eigenlijk niet wat ik daar verder over moet zeggen in een interview. Ik schrijf er boeken over. Niet op psychologiserende toon, dan maak je de realiteit te mager. Ik vind dat de psychologie vaak een te beperkt en afgekalfd beeld geeft van mensen. Wat ik nodig heb is sfeer, kleur, geur. Situaties kunnen tragisch of melodramatisch zijn, maar de sfeer daaromheen is vaak van grote schoonheid. Daar wil ik recht aan doen. Mijn boek is misschien mijn liefdesverklaring aan waar ik vandaan kom. Ik geef aandacht aan mijn familie. Dat is wat ik kan, als schrijver.’

Waar geloof je in?

‘Niets blijft heel en niemand is veilig. Die gedachte heeft mijn hele leven boven mijn hoofd gezweefd. Ik ben opgegroeid met kwetsbaarheid: “Het kan kapot.” Acht maanden voor mijn geboorte is mijn broertje Edwin overleden: onder een betonmolen gekomen. Hij was zes. Die gebeurtenis is in mijn wezen komen te zitten. Mijn ervaring is dat wat in dit universum heel is, op een dag kapotgaat. Omdat het kan. Omdat er de tijd voor is. Het gaat al miljoenen jaren zo, het is de orde en de volgorde der dingen. Ook al weet je dat, de vrees blijft. Stel dat ik mijn man verlies. Dan word ik gek. Dat weet ik nu al. Die denderende leegte waar ik dan in zak! Dan vind ik nóóit meer iemand. En dat wil ik ook niet eens meer. Dan ga ik de deuren dichtdoen, en de ramen, en ga ik sterven.

Maar ja, in elk mensenleven gaan dingen kapot. Er zitten butsen en gaten in. Pijnpunten die niet te herstellen zijn: verloren liefdes, gemiste kansen, of mijn vader die Edwin op de dag van het ongeluk in een woedeaanval de deur had uitgetrapt. Komt hij thuis, mag hij in het mortuarium gaan kijken en is het hoofd van dat jongetje vermorzeld. Dat is een rauwe plek, een krater. Mijn vader heeft dat zijn hele leven met zich mee moeten dragen. Hoe graag je het ook wilt en hoe hard je ook je best doet, de reten en de kieren in elkaars bestaan kun je niet opvullen. Het enige wat we kunnen doen, is dit erkennen, en elkaar theatertjes gunnen waarin we die veiligheid en dat heel-zijn van de dingen kunnen spelen. Doen alsof. Kunst en creativiteit bieden die mogelijkheid. Kunst is: heel goed doen alsof. Als je schrijft, kun je zeggen: “En nu valt het kopje heel.”’

Wat was een keerpunt?

‘Het is meer een kolkend keerpunt geweest, het was niet één moment. Het gaat om het besef, in mijn jeugd geleidelijk aan gegroeid, dat sommige dingen in het leven niet goed zijn, dat ik ze niet kan oplossen, en dat ik machteloos ben. Ik heb dat heel sterk ervaren bij een zus van mij. Ik ben altijd dol op haar geweest. Ze was mooi en zacht en rond en levenslustig en voluptueus. Maar ook dom, onontwikkeld. Ze leeft haar hele leven al van de bijstand. Werd er weer een kast bij haar weggehaald omdat ze hem niet had afbetaald. Als kind van negen was ik verstandelijk verder dan zij, dus schreef ik de brieven aan haar schuldeisers. Terwijl ik bij haar was, las ik mijn eerste Tolstoj en Dostojevski. Haar bestaan is gekenmerkt door geweld van mannen, maar ook door haar gebrek aan inzicht daarin, waardoor ze de ellende voor zichzelf alleen maar versterkt. Mannen kwamen altijd als vliegen op haar af. Op een dag kwam ze aanzetten met een man die een absolute psychopaat bleek te zijn. Ik was er getuige van hoe hij haar de trap af sloeg. Terloops hoorden we dat hij pedofiel was. En dat terwijl mijn zus daar met twee kleine kinderen woonde. Ik had het idee dat ik in een soort comic strip for adults terecht was gekomen. Die zwartwitstripboekjes slingerden daar ook rond: van die tekeningen waarin vrouwen werden gepenetreerd en dan werd er tegelijkertijd een tiet afgesneden. Het is heel naar en ongrijpbaar eng dat je ergens middenin zit en dat het echt is, dat je het allemaal aan ziet komen, maar dat je het niet kunt tegenhouden, dat je het gewoon moet laten gebeuren. Die onafwendbare banaliteit geeft mij een gevoel van weerzin. Alles wordt erdoor verplat en verpulverd. Banaliteit zit niet in dingen of gebeurtenissen, maar in de mens zelf. De mens heeft de diepe behoefte om banaal te zijn, het is een dwingende kracht waar geen kruid tegen gewassen is.’

Zou je iets willen veranderen?

‘Nee. Er zijn wel dingen waar ik verdriet van heb, maar die kan ik niet meer veranderen. Zelfs mijn gemis van sommige dingen zou ik niet willen missen, want daardoor voel ik hoe belangrijk ze voor me zijn.’

Hoe is het om ouder te worden?

‘Plat gezegd komt het natuurlijk neer op: vinden kerels mij nog lekker genoeg? Gaat er nog geneukt worden in de toekomst? Wordt hij nog geil van me? Voor mij is dat wel belangrijk, dus daar zal ik in investeren. Voor zover nodig, wil ik daar best hulpmiddelen bij halen, om mijn vent te behagen. Naarmate ik ouder word, zal dat een hogere investering eisen. Totdat het op een dag bij mevrouw Manon Uphoff niet meer haalbaar is. Dan word ik gewoon maar een vies oud geil wijf. Ik hoop dat mijn man dan een vies oud ventje is, dan prutsen we wat en vallen we daar verder niemand mee lastig. Als je seks zo belangrijk vindt, moet je ook maar accepteren dat je het uiteindelijk met een wat drelleriger lichaam zult moeten doen. Maar zover ben ik nog niet hoor, dat ik dat al kan accepteren! Ik ben een kind van de seksuele revolutie. Wij willen veel seks, en niet oud worden. Maar waar praten we eigenlijk over? Ik ben pas 42. Vermoedelijk word ik – als er geen tractor over me heen rijdt – stokoud. Wat lopen we nou te zeuren over oud zijn? Als je veertig, vijftig of zestig bent, ben je helemaal niet oud.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dit gaat heel zweverig klinken: Dat Je Er Gewoon Bent. Dat Je Dingen Doet. Dat Je Reageert. De essentie van liefde is de ander zien. Het gaat om aandacht geven en aandacht krijgen. Zien is bij mij heel letterlijk: “Goh, dat is mijn jongste broertje.” Ik weet hoe hij de trap op komt, hoe hij de deur opengooit en even aan zijn reet krabt, en dan zegt: “Hé snol!” Ik zie zijn twee kleine zwembandjes boven zijn broek als hij mijn computer komt repareren, en consequent praat over mijn werkkamer als mijn hobbykamer. Ik moet dan steeds zeggen: “Man, dit is geen hobby, ik schrijf! Het is mijn werk!” Maar dan kijkt hij me ongelovig aan. Zien is voor mij: niet veroordelen. Met oordelen pin je mensen vast. Mensen hebben zo veel meer kanten. Ze zijn echt leuk. Zelfs in hun voorspelbaarheid zijn ze zo prachtig voorspelbaar. Ik ben ook voorspelbaar. Mijn stem­gebruik, de manier waarop ik kijk, hoe ik ga zitten, hoe ik me aankleed, hoe ik mijn boterham eet, hoe ik ’s avonds in mijn bed lig, de dingen die ik roep als ik kwaad ben, hoe ik me gedraag tijdens het vrijen: allemaal steeds hetzelfde. Ik kan wel bedenken: morgen ga ik het heel anders doen, morgen word ik echt heel spannend! Maar dat gaat dus niet, en het hóéft ook niet! Ik vind het fijn dat ik mijn ouwe paar sloffen ben. In onze tijd leven we helaas met het idee dat je kunt worden wie je maar wilt. Dat je alles aan jezelf kunt maken en veranderen. Mensen vragen zich allerlei dingen af: ben ik wel een leuke dertiger? Ben ik een beetje een gezellige veertiger? Zit ik wel lekker in mijn vel? Goh, mijn seksleven ligt al drie maanden plat, wordt het niet tijd voor therapie? Hé, mijn kinderen zijn anders dan ­gedacht, moet er niet een pilletje tegenaan? So what! De mens ís niet volledig maakbaar, en het is geruststellend en goed dat we niet zo de baas zijn over onszelf. We hoeven er alleen maar te zijn, en elkaar te zien. Dat is alles.’

– Koudvuur verschijnt 22 september bij de Bezige Bij (paperback € 17,50); gebonden € 22,50)[/wpgpremiumcontent]