Werk

Ons testosteronniveau beïnvloedt onze statusbehoefte, dat is al langer bekend. Een hoog niveau maakt dat je graag macht hebt, een laag niveau dat je juist liever in de luwte opereert. Maar wat gebeurt er nu als iemand met een lage testosteronspiegel zo veel kennis in huis heeft dat hij of zij op een hoge positie belandt? Dat is vragen om problemen, suggereert een Australisch-Singaporees onderzoeksteam.

De onderzoekers verdeelden een groep studenten over 92 kleine teams, die gedurende een semester moesten samenwerken. De ontwikkeling van de groepshiërarchie werd op zijn beloop gelaten. Na zes weken bepaalden de groepsleden elkaars status binnen de groep aan de hand van stellingen als ‘Deze persoon beïnvloedt groepsdoelen en -beslissingen’ en ‘Deze persoon leidt vaak conversaties’. Ook werd met behulp van speekselproeven ieders testosteronspiegel vastgesteld. Weer zes weken later werd het collectieve vertrouwen van de groepen vastgesteld: hoe groot achtten ze de kans dat hun team goed zou presteren?

De uitkomst: teams waarin leden met een laag testosteronniveau een hoge status hadden gekregen en omgekeerd, hadden het minst vertrouwen in een goede afloop, terwijl teams waarin degene met de hoogste testosteronspiegel ook als leider was komen bovendrijven, het meest in zichzelf geloofden.

Kennelijk

hebben we toch liefst een leider die graag de lakens uitdeelt. Of deze ook de benodigde expertise in huis heeft, is dan van ondergeschikt belang.

Organizational Behavior and Human Decision Processes, november 2009