Op een schaal van 0 tot 10: hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Een negen, ik heb een heel onbezorgde jeugd gehad. Met leuke ouders – die nog steeds bij elkaar zijn – en een tweelingbroer waarmee ik kon ravotten en heel close was.’

Wat is uw eerste herinnering? ‘Paramaribo. De tussenstop op weg naar Curaçao. Ik weet nog dat ik boven aan de vliegtuigtrap stond en dat de warmte als een klamme deken over me heen viel. Ik was toen drie. Mijn vader is geboren op Curaçao, dus die wilde een keer terug. Later zijn we in Voorburg gaan wonen, mijn ouders wilden dat we opgroeiden in een grote stad.’

In wat voor gezin groeide u op? ‘Mijn vader werkte in de it. Als jongetje ging ik hem weleens van zijn werk ophalen. Dan troonde hij me mee naar dé computer, die nam bijna een halve verdieping in beslag. Mijn moeder was huisvrouw – de klassieke verdeling. Ze waren niet autoritair maar toch ook wel weer streng. Als we iets wilden kopen, moesten we ervoor werken. Ik liep al een krantenwijk toen ik dertien was. Dat was pedagogisch bedoeld, maar dat zag ik toén niet zo. Later werd er veel aan de keukentafel gediscussieerd over politiek, de maatschappij. Wat er wel of niet goed was. Ik kan me de gesprekken over Den Uyl nog herinneren.’

Wat voor kind was u? ‘Wild, haantje de voorste. Van ons tweeën nam ik het voortouw, mijn tweelingbroer Bob ging in mijn kielzog mee. Op de middelbare school is dat veranderd. We gingen wel naar dezelfde school, maar zaten in een andere brugklas. Ik vond het raar dat we gescheiden werden, hij vond het volgens mij wel prettig! Eindelijk een keer niet iemand die, als hij ademhaalde om wat te gaan zeggen, hem al voor was.’

Hoe was u als puber? ‘Zeer onhandelbaar. Ik heb mijn moeder tot wanhoop gedreven. Op een gegeven moment merk je dat ze je niet meer aankan. Dat je letterlijk groter bent en ook een te grote mond hebt. Mijn vader was indrukwekkender, daar was ik wel een beetje bang voor. Op school liep het ook de spuigaten uit. Ik begon op een heel strenge school. Vreselijk. Gezag om het gezag. Daar kon en kan ik slecht mee omgaan. Na drie jaar ben ik overgestapt naar een daltonschool. De leraren hadden lang haar en heetten Ron of Peter. Ik spijbelde nog net zoveel, maar daar gingen ze er anders mee om. Dan kwam de conrector naar me toe: “Meneer Karhof, kennelijk zijn de eerste drie lesuren te vroeg voor u. Dat is niet erg als uw cijfers zo blijven, anders weten we u te vinden.” Dat werkte wel.’

Wat heeft u van uw ouders geleerd? ‘Het belangrijkste. Ze hebben me het gevoel gegeven dat je alles kunt. Je kunt minister-president worden. Die gedachte, het geloof in jezelf, heb ik meegenomen. In het redelijke natuurlijk. Professor in de wiskunde zit er niet in, maar dat ambieer ik ook niet.’

En wat doet u absoluut anders? ‘Ik ben nooit getrouwd en wil geen kinderen. Daar begrijpen mijn ouders niks van. Ik wil mijn handen vrij hebben, voor mijn carrière met name en ook om morgen te kunnen vertrekken. Ik heb helemaal geen drang om mijn genen te verspreiden.’[/wpgpremiumcontent]