Op een vrijdagmiddagfeestje zit ik naast een jonge moeder van twee kinderen. Haar baby is pas een paar weken oud en ligt uitgeteld op haar borst. Ze hadden er lang over gedaan om een naam te bedenken voor hun tweede, vertelt ze.

De mooiste familieverhalen: Vierde

‘Welke rol had je in het gezin waarin je opgroeide?' Tachtig lezers zetten een stap terug in de ti...

Lees verder

Hun lievelingsnaam was namelijk al vergeven: die was naar de eerste gegaan. Op de schaal van een mensenleven is het klein leed, maar als metafoor vind ik het veelzeggend. Zelf was ik de eerste thuis, de oudste, numero uno.

Ik was ook: faalangstig, neurotisch, perfectionistisch, ambitieus, zonder twijfel op het onuitstaanbare af. Mijn zusje studeerde minder hard, ging meer uit en bracht naschoolse middagen vaak horizontaal door, op de bank voor de televisie.

De verschillen in onze karakters schreef ik lange tijd toe aan de verschillende posities die we innamen binnen ons gezin.
Het leek me al met al beter om de eerste te zijn: je had harder moeten werken om de grenzen die je ouders je hadden opgelegd te verruimen, baande zelf het pad van je generatie, had aldus een groter verantwoordelijkheidsgevoel en meer doorzettingsvermogen en kwam uiteindelijk zelfverzekerder uit de strijd.

Die theorie kwam mijzelf natuurlijk goed uit, maar toen ik zwanger was van mijn tweede had ik al voor zijn geboorte met mijn zoon te doen. Hij liep immers de benijdenswaardige positie van eerstgeborene mis. Het leek me daardoor toch wel verstandig om uit te zoeken waar ik mijn overtuigingen eigenlijk op baseerde en of er iets van klopte.

Nobelprijswinnaars

We kunnen niet om het feit heen dat eerste, tweede en latergeboren kinderen allemaal een net iets andere uitgangs-positie hebben. Wat heeft dat precies voor gevolgen voor hen en vooral: hoe (on)overkomelijk zijn ze?

Arts-psychiater Alfred Adler is aan het begin van de twintigste eeuw een van de eersten die over ‘het geboortevolgorde-effect’ schrijft als een psychologisch fenomeen. De oudste identificeert zich volgens hem het meest met de volwassenen uit zijn omgeving en ontwikkelt daardoor zowel een groter verantwoordelijkheidsgevoel als meer neurosen.

De jongste heeft de grootste kans om verwend te worden en is vaak creatiever. Alle kinderen in het midden – Adler zelf is een middelste kind – zijn emotioneel stabieler en onafhankelijker. Zij zijn de vredescheppers, de diplomaten, van begin af aan gewend te delen en daarom minder veeleisend.

Het idee dat geboortevolgorde van invloed is op je persoonlijkheid is daarna veelvuldig aan wetenschappelijke analyses onderworpen. Het aantal studies loopt in de duizenden.

Daarbij produceerden wetenschappers een reeks weetjes die ongetwijfeld nog altijd tijdens kerstdiners over tafel vliegen: dat eerstgeborenen oververtegenwoordigd zijn onder bijvoorbeeld Nobelprijswinnaars en componisten van klassieke muziek en – grappig genoeg – onder ‘prominente psychologen’. Latergeborenen waren dan weer sneller geneigd de Franse Revolutie en Protestantse Reformatie te steunen.

Het geboortevolgorde-effect is daarmee een algemene waarheid geworden. En dat terwijl kritiek op deze theorieën en het onderzoek dat erbij hoort ook behoorlijk aanwezig is. Critici stellen dat het namelijk helemaal niet zo duidelijk is wat je meet wanneer je de factoren probeert te ontrafelen die een individueel mensenleven maken tot wat het is. Het is immers moeilijk om alle ‘ruis’ uit te sluiten: hebben gevonden verschillen wel met geboortevolgorde te maken, of met andere factoren?

Om echt goed te kunnen onderzoeken of het effect bestaat, zou je gigantische datasets moeten gebruiken en het liefst niet alleen eerste, tweede en derde kinderen uit verschillende gezinnen met elkaar vergelijken, maar ook kinderen uit hetzelfde gezin op dezelfde leeftijd. Weinig studies voldoen aan die eis.

377.000 scholieren

Eind 2015 werden er twee studies gepubliceerd in toonaangevende tijdschriften, waarin de kritiek op eerder onderzoek grotendeels wordt ondervangen.

In een van deze studies analyseren twee Amerikaanse psychologen gegevens van 377.000 middelbare scholieren in de Verenigde Staten. Zij vinden weliswaar verbanden tussen geboortevolgorde en persoonlijkheid, maar behalve piepklein zijn die ook nog eens deels tegengesteld aan de verbanden die in de meest dominante theorieën werden voorspeld. Zo zijn eerstgeborenen in deze dataset weliswaar een klein beetje zorgvuldiger, maar ook minder neurotisch dan latergeboren kinderen.

In de andere studie, onder 20.000 mensen uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland, vergelijken de onderzoekers zowel kinderen uit verschillende gezinnen met elkaar, als broers en zussen uit hetzelfde gezin. Ze controleren daarbij voor factoren als gezinsgrootte en leeftijd.

Het resultaat is ook hier ontnuchterend. De onderzoekers vinden namelijk geen verband tussen iemands plek in het gezin en welk persoonlijkheidskenmerk dan ook; of het nu om extraversie gaat, aardigheid, emotionele stabiliteit, ijverigheid of voorstellingsvermogen.

Niet anders, maar ouder

De resultaten van deze twee studies bewijzen dat het geboortevolgorde-effect op persoonlijkheid niet bestaat, schrijven de auteurs in een begeleidend artikel. Het is een fabel.

Toch koesteren ze weinig hoop dat ze die hiermee de wereld uit te hebben geholpen: academische inzichten sijpelen meestal traag door naar het grote publiek. Bovendien zijn ze vaak een stuk minder overtuigend dan dat wat we zelf ervaren.

Vrijwel iedereen kan namelijk met eigen ogen zien dat de eerstgeborene meestal zorgvuldiger en bezorgder is dan zijn of haar broertjes en zusjes. Alleen heeft dit verschil waarschijnlijk meer te maken met het feit dat het eerste kind ouder is, dan met geboortevolgorde.

‘De tweede is sneller boos’, zei ik ooit tegen een andere moeder. Maar was mijn dochter op die leeftijd niet net zo opvliegend geweest? Leeftijdsverschil kan er ook voor zorgen dat kinderen uit hetzelfde gezin vaak specifieke rollen krijgen toebedeeld.

De oudste moet van zijn of haar ouders verantwoordelijk zijn, de jongste moet naar de oudste luisteren. Het gedrag dat hieruit voortvloeit, is een uiting van die rol, niet van iemands persoonlijkheid. Maar zie dat onderscheid maar eens te maken, zo met het blote oog.

Ik denk aan hoe we mijn dochter voorbereidden op de komst van haar broertje. En hoe we haar – om teleurstellingen te voorkomen – niet vertelden dat er straks iemand zou zijn met wie ze kon spelen, maar juist iemand die nog helemaal niets kon.

Zij mocht hem alles uitleggen, want zij kon en wist al zo veel. Dat vooruitzicht had haar wel aangesproken. Wisten wij veel dat we op dat moment bezig waren haar een beeldbevestigende rol op te dringen.

Voor het leven getekend

Een groep wanhopige politicologen, die in de jaren negentig de mythe probeerde te ontkrachten dat zelfs iemands politieke voorkeur wordt bepaald door diens plek in het gezin, noemde het geboortevolgorde-effect ‘een steeds terugkerende vampier’ die zich met geen mogelijkheid ‘uit de wetenschappelijke literatuur laat drijven’.

De controverse die het onderwerp oproept is razend interessant. Maar nog interessanter is het verlangen dat eruit spreekt. Het verlangen te bewijzen dat hun plaats in de gezinsrangorde onze kinderen voor het leven tekent.

Nu is het natuurlijk zo dat alle omstandigheden waarin een kind ter wereld komt – of iemand als jongen wordt geboren of als meisje, in oorlog of in vrede, in relatieve armoe of exorbitante rijkdom – iemand maken tot wie hij of zij is. Maar het geboortevolgorde-effect lijkt ons op een speciale manier te boeien en te fascineren.

Misschien omdat het zo concreet is: het is een stuk leuker en bevredigender om de lach van een vier weken oude baby toe te schrijven aan het feit dat hij de tweede is, dan aan een vaag samenspel van persoonlijkheid en omgeving, verwachtingen en observatievermogen. Het is bovendien aangenaam definitief. De eerste blijft altijd de eerste en de tweede altijd de tweede. Lekker overzichtelijk.

Onszelf ontslaat het voor even van de verantwoordelijkheid voor wie we zijn en de plicht van onszelf te maken wat we worden willen. Dat ik overal zo over pieker, is mijn schuld niet, het komt doordat ik de oudste ben. Mijn zoon begon glimlachjes uit te delen toen hij amper vier weken oud was.

Ik wist zeker dat het geen stuiptrekkingen of reflexen waren, maar oprechte pogingen tot contact. Hij begon er eerder mee dan zijn zus had gedaan en dat had ik volstrekt logisch gevonden: hij was de tweede en dus sociaal vaardiger, net als mijn eigen zusje.

Het kwam op dat moment niet bij me op dat die interpretatie mede gestoeld was op verhalen die we al generaties lang aan elkaar doorgeven, verpakt in kleine opmerkingen als ‘typisch de tweede’ of ‘doordat ik de oudste ben…’ Nu begrijp ik dat die verhalen een geschiedenis hebben. En dat ze, zonder dat we het misschien doorhebben, zowel het heden als de toekomst van onze kinderen mede vormgeven.

In haar boek De tweede. Over het zijn en krijgen van een tweede kind (De Correspondent Uitgevers, € 20,-) duikt journalist Lynn Berger in zowel de psychologie, de sociologie als de geschiedenis om het tweede kind én de tweede keer beter te begrijpen. Meer lezen?  decorrespondent.nl/detweede

De eerste is ietsje slimmer: hoe kan dat?

Uit een onderzoek uit 2007 waarbij de gegevens van de volledige mannelijke populatie van Noorwegen werden geanalyseerd, bleek dat de oudste gemiddeld een drie punten hoger IQ had, dan nummer twee.

Nu is een IQ-verschil van drie punten echt heel klein – je merkt er in de praktijk niets van. Maar dan nog: er is wel een effect. En uit de Noorse studie bleek dat het verschil verdween als het oudste kind overleed en de jongste dus in de praktijk de oudste werd.

Het lijkt er dus op dat het verschil veroorzaakt wordt doordat ouders anders met hun eerste omgaan dan met hun tweede.

Volgens de vaak genoemde confluence-hypothese leert het eerste kind voornamelijk van z’n ouders, terwijl de tweede ook dingen oppikt van zijn broer of zus. En de gemiddelde peuter is nu eenmaal een stuk minder cognitief stimulerend dan een volwassene, dus ontwikkelt de tweede zich minder ‘optimaal’ dan de eerste. Daarbovenop komt nog dat de oudste juist intellectueel profijt heeft van het onderwijzen en begeleiden van broertjes en zusjes.

Een andere verklaring is de resource dilution-hypothese (dilution betekent letterlijk ‘verdunning’), eveneens geliefd onder evolutionair biologen, psychologen en antropologen. Deze houdt in dat eerstgeborenen in elk geval tot aan de geboorte van een tweede kunnen profiteren van de volledige aandacht, tijd en andere ‘hulpmiddelen’ die hun ouders in hen ‘investeren’. De tweede kan nooit op diezelfde weelde rekenen.

En dan is er nog wat een Amerikaanse socioloog het vermoeidheidseffect noemt: voor ouders met meer dan één kind, onderworpen aan verschillende, vaak conflicterende eisen, worden opvoedidealen buigzamer.

Dat effect kan mede verklaren waarom Zweedse ouders, volgens een groep economen die hun gegevens onderzochten, minder geneigd waren om huiswerk en schoolprestaties met de tweede te bespreken dan ze dat met de eerste hadden gedaan.

Uit een studie uit 2016 bleken ouders hun tweede en latergeboren kinderen minder voor te lezen, te onderwijzen en mee te nemen op culturele uitstapjes. Met de komst van een tweede, schreven de onderzoekers, groeit de druk op de aandacht en de tijd van de ouders.

Onder die druk kiezen ze er wellicht voor om ‘niet-essentiële’ aspecten van de opvoeding, zoals het stimuleren van de cognitieve ontwikkeling, op een lager pitje te zetten. Ouders bleken wel even begaan bij de emotionele ontwikkeling van hun jongere kinderen als van hun oudere kinderen. Wanneer tijd schaars is en je moet kiezen tussen troosten en voorlezen, dan delft voorlezen het onderspit.

Met die keuze zetten ouders hun tweede en later geboren kinderen, waarschijnlijk geheel onbewust, ‘op een lager traject voor cognitieve ontwikkeling en onderwijsresultaten, met een blijvende impact op hun volwassen leven.’