‘Nog steeds ben ik niet graag in een grote groep’

Sjanneke Broekmeulen (51) was 7 toen ze op een schippersinternaat ging wonen.

‘Als schipperskind wist je al vroeg dat je naar een internaat zou gaan als je naar school moest. Tot die tijd woonde ik aan boord. Ik kreeg al wat les van mijn moeder, wat ik erg leuk vond, dus ik verheugde me wel op school. Toen ik 7 werd, was het zover. Op het katholieke schippersinternaat werden we vriendelijk ontvangen door een aardige jonge non. Maar pas toen mijn moeder mijn koffer had uitgepakt, drong tot me door dat mijn moeder weg zou gaan en dat ik daar moest blijven. Huilend klampte ik me aan haar vast, maar ze hield zich groot en liep in mijn ogen onbewogen het pand uit. Ik was in alle staten.

Op het internaat hadden ze de opvatting dat het beter was de eerste weken geen contact te hebben, en voor mijn gevoel heb ik mijn ouders tot de herfstvakantie niet gezien. Later bleek dat mijn moeder me vaak gebeld heeft, maar dat vertelden de leidsters niet. Ik voelde me zo alleen gelaten en dacht dat ze me vergeten waren. Overdag hield ik me groot, maar

’s avonds op de donkere slaapzaal kwamen de tranen. Over pijnlijke dingen werd bij ons thuis weinig gesproken, dus tijdens vakanties terug aan boord spraken we daar niet over.

De “juffrouwen” waren best aardig, ik ging graag naar school en had vriendinnen, maar het groepsleven met al die regels heb ik altijd als een keurslijf ervaren. Ja, ik was al jong zelfstandig, maar had niet goed geleerd wat ik zelf wilde, domweg omdat in zo’n groepsleven niemand daar ooit naar vraagt. Nog steeds ben ik niet graag met een grote groep. Toen ik naar de middelbare school buiten het internaat ging, kreeg ik gelukkig iets meer bewegingsvrijheid.

Na al een tijdje op kamers te hebben gewoond ben ik in therapie gegaan. Ik had het gevoel onder een steen te zitten: overleven en me groothouden was een gewoonte geworden. In die tijd heb ik veel met mijn ouders gepraat en voor het eerst gehoord hoe erg ze het vonden dat we naar een internaat moesten. Dat heeft me geholpen te accepteren hoe het is gegaan.’

‘Het heeft me op een zachte manier zelfstandihg gemaakt’

Chris Silos (41) ging als 16-jarige naar een internaat omdat zijn ouders in het buitenland werkten.

‘Op mijn zestiende verhuisden mijn ouders voor hun werk naar de Filipijnen. Ik mocht kiezen: meegaan of alleen hier blijven. Omdat ik zelf graag mijn middelbare school in Nederland wilde afmaken, zochten we naar waar ik kon wonen. Ik koos het Renswoudehuis, een enorm kak-internaat in Den Haag. Je kreeg een mooie, grote kamer voor jezelf, er was een speelkelder met pool- en pingpongtafels en zelfs een discotheekje. Maar het belangrijkste voor mij waren de sportvelden op het terrein. Ik was gek op sport en had daar altijd wel iemand die meedeed.

Voor mijn gevoel woonde ik met allemaal leeftijdgenoten in een heel groot gezin. Na school werden we in de gezellige huiskamer opgewacht met koekjes en thee door de mentoren, die ik bijna allemaal betrokken en aardig vond. Mijn eigen mentor was bijvoorbeeld maar tien jaar ouder dan ik en een toffe gozer. Ik vond het een soort eindeloos durend schoolkamp met skivakanties, survivaltochten en muzieklessen.

Ik miste mijn ouders wel, hoor, maar ik was natuurlijk ook al 16 en zag de voordelen van het kostschoolleven wel in. Mijn mentor was bijvoorbeeld een stuk minder streng dan mijn moeder! Behalve trouwens als het om schoolresultaten ging. Zodra die daalden, zat je mentor erbovenop. Maar daarnaast kon je doen en laten wat je wilde.

Ik maakte veel vrienden. Daarmee vorm je dan een eigen wereldje, met eigen codes. Niets is zo bindend en opwindend als kattenkwaad uithalen, zoals stiekem ’s nachts dozen ijs en cola uit de (streng verboden) voorraadkamer stelen om via de dakgoot een feestje te bouwen met de meisjes. Terreinarrest, huisarrest en kamerarrest, ik heb het allemaal beleefd, maar ik heb er geen schade van opgelopen. Het was in balans: één keer per jaar kwamen mijn ouders hier, en tweemaal ging ik bij hen logeren. Voor de jonkies in het huis was het moeilijker, denk ik, dan ben je nog afhankelijker van je ouders. Voor mij was het een heel luxe en perfecte tussenstap om op kamers te gaan. Ik ben er op een zachte manier zelfstandig door geworden en kon daarna zelf de wereld in. Ik kan het iedereen aanraden.’

‘Dat massale vond ik wel moeilijk’

Jan Huysmans (75) mocht op zijn 12de naar het seminarie.

‘Als klein jongetje was ik erg enthousiast over onze dorpspastoor. Overloon was in de oorlog verwoest en bij de wederopbouw speelde hij een belangrijke rol. Zo wilde ik ook worden. Andere voorbeelden waren mijn erudiete heerooms (ooms die priester zijn; red.). Ik mocht dan wel een boerenzoon zijn, maar leren vond ik leuk en het priesterschap sprak me gewoon aan. Niet alleen de status en de sfeer ervan, maar ook omdat ik iets wilde betekenen in de maatschappij. Dus liep ik op mijn twaalfde jaar vol trots aan de hand van mijn ouders door de grote zalen en gangen van het kleinseminarie in Sint-Michielsgestel. Ik beschouwde het als een eer.

Het was een strikt regime: vroeg op, dienst in de kapel, studeren, ontbijt, lessen, bidden in de kapel, diner, lessen, uurtje recreatie, avondstudie en weer de kapel in. Slapen met zijn allen op de slaapzaal. En dat met 350 man. Dat massale, almaar met zijn allen, vond ik wel moeilijk. Zelfs wandelingen maakten we klassikaal met de leraar, als een stelletje gevangenen onder bewaking. Na een jaar kreeg je een piepklein celletje met een gordijn als deur. Terwijl je bijna altijd met anderen was, was je toch zo verrekte alleen.

Mijn ouders miste ik niet zo bewust: het was normaal dat je het huis verliet als je ging doorleren. Maar achteraf gezien is mijn normale emotionele ontwikkeling behoorlijk verstoord: alle natuurlijke binding werd je systematisch afgeleerd. Het straffe reglement leerde je dat “bijzondere vriendschappen” verboden waren, want die waren “schier even verderfelijk als de pest”. Je mocht bijvoorbeeld ook niet met zijn tweeën wandelen. Afstand houden moest je waarschijnlijk voorbereiden op het toekomstige celibaat. De afgesloten seminariewereld isoleerde je ook van je familie en de maatschappij waarin je later geacht werd te gaan werken.

Die sociaal-emotionele achterstand heb ik pas ingehaald toen ik mijn huidige vrouw ontmoette en een warm bad in haar familie vond. Ik zei het priesterschap vaarwel. Maar toch kijk ik zeer positief op die zes jaar seminarie terug. Ik kreeg echt hoogwaardig onderwijs, die de boerenzoon liet kennismaken met theater, literatuur, film en filosofie. Dat is een goudmijn voor heel je leven.’

‘Het was meer een strafkamp dan een meisjesschool’

Wil Hardenbol (63) moest als 12-jarige naar een streng internaat omdat haar ouders de opvoeding niet goed aankonden.

‘Op mijn twaalfde werd ik gesnapt toen ik iets pikte op de markt, ik weet niet eens meer wat. Een poosje later vertelde mijn moeder dat ik naar een kindertehuis moest, dat had de kinderrechter besloten. Ik was laaiend en dreigde de rechter te vertellen dat mijn vader ook jatte. En ik schaamde me zó, dat ik op school vertelde dat ik voor iets ergs naar het ziekenhuis moest. Maar ik ging naar het strengchristelijke meisjesinternaat Vredestein, voor moeilijk opvoedbare kinderen. Het was eerder een strafkamp dan een meisjesschool. Ze gingen ervan uit dat wij niet deugden omdat onze ouders niet deugden.

De eerste nacht lag ik zonder uitleg in een isoleercel met dubbele deuren. Tijdens lesuren ging het nog wel, maar na schooltijd moesten we eindeloos kachels boenen, gangen schrobben, aardappels pitten en sloven voor de juffrouwen. Ze hadden er idiote, onbegrijpelijke regels: liet je per ongeluk een wind, dan moest je een dag naar je kamer. Ik was natuurlijk ook geen lieverdje. Mijn opstandigheid en grote mond leidden tot eindeloos kamerarrest. Nou, de muren gaan op den duur tegen je praten, hoor. En dan liep ik weer weg, naar huis. Het was een piepklein huisje, veel kinderen, en weinig geld. Mijn moeder hoorde stemmen – waar wij niets van begrepen – en mijn vader was inmiddels werkloos en was ons liever kwijt dan rijk. En toch was dat mijn thuis. Maar dan haalde de politie me weer op en werd ik huilend afgevoerd naar Vredestein.

Daar was ik weer volledig op mezelf aangewezen. Want als je een vriendin kreeg, mocht je niet meer naast elkaar zitten. Ik heb me daar zo eenzaam en boos gevoeld. Nog steeds word ik snel boos en ben ik extreem schoon in huis. Maar of dat met die tijd te maken heeft? Jarenlang heb ik over Vredestein gedroomd, terwijl ik het liefst alles zo snel mogelijk wou vergeten. Ik praatte er ook nooit over, zelfs niet met mijn man. Een heleboel herinner ik me inmiddels ook echt niet meer, waardoor ik de laatste tijd voor het eerst voel dat ik weleens zou willen praten met andere meisjes van toen.’

‘Ineens besefte ik uit wat voor warm gezin ik kwam’

Teun Esser (19) ging op zijn 12de naar een Belgisch internaat omdat hij thuis en op school dreigde te ontsporen.

‘Het ging niet goed met me op de basisschool. Ik was altijd erg druk, brutaal of agressief. Ook thuis was ik heftig. Vooral mijn moeder – die eigenlijk het dichtst bij me stond – moest het ontgelden. Op school was ik voornamelijk bezig de leukste en stoerste te zijn. Ik voerde weinig uit. Tot ieders verbazing maakte ik mijn Citotoets goed. Strenge leerkrachten kregen me af en toe wel aan het werk, en daarom dachten mijn ouders dat een internaat voor mij weleens goed zou kunnen werken. Daar was structuur en toezicht, waardoor ik mijn diploma kon halen en niet zou ontsporen. Eigenlijk begreep ik het wel. Ik wilde best leren, maar kon mezelf er niet toe zetten. Dus ging ik naar een Belgisch internaat.

Nou, dat viel behoorlijk tegen.

Om te beginnen was ik opeens niet meer de stoerste van de klas. Eerstejaars waren het laagste in rangorde. Ze werden door ouderejaars belachelijk gemaakt, gepest en geïntimideerd. Er werd veel gevochten. Je kon zomaar ergens de schuld van krijgen. Ik moest me daartegen wapenen en leerde mijn gevoel te verbergen. ’s Nachts moest ik huilen om de dingen die ik had gedaan om stoer gevonden te worden. Maar ik huilde ook van heimwee. Voor het eerst besefte ik uit wat voor warm gezin ik kwam en wat mijn moeder voor me betekende.

Omdat ik me zo rot voelde, deed ik extra mijn best op school om mijn ouders te laten zien dat ik het kon. Ondertussen deed ik er alles aan om weer meer invloed te krijgen op de andere scholieren. Na een paar jaar kreeg mijn groep steeds meer te vertellen. Zelf zag ik niet dat ik daardoor steeds agressiever werd en vaker ging liegen. Dat heb ik later echt weer moeten afleren. Op school deed ik steeds minder, waardoor mijn cijfers daalden. Uiteindelijk ben ik daarom weer thuis gaan wonen. Gelukkig gaat het nu veel beter tussen mijn moeder en mij. Komend jaar wil ik mijn diploma halen op het Luzac. Om daaraan mee te betalen werk ik me nu het schompes voor 4,85 euro per uur. Maar straks heb ik mijn vwo-diploma, let maar op.’

WEINIG GEBORGENHEID

We associëren het woord internaat al snel met strenge regels, tucht en veel bidden. Inderdaad blonken de paters, nonnen en juffrouwen vroeger over het algemeen niet uit in opvoedkundige en ontwikkelingspsychologische inzichten. Daar hadden vóór 1970 overigens nog maar weinig mensen kaas van gegeten. Maar uit verhalen uit die tijd valt op te maken dat op sommige instellingen een uitgesproken rigide klimaat heerste, vooral op internaten voor kinderen die door de rechter uit huis waren geplaatst vanwege problemen thuis, zoals alcoholmisbruik, scheidingen of ontucht. Andersoortige instituten die kinderen een gedegen opleiding en discipline moesten geven, waren schippersinternaten, meisjes- en jongenskostscholen en de nu vanwege ontucht veelbesproken seminaries.

De meeste Nederlandse seminaries en kostscholen zijn inmiddels opgeheven. Wel zitten jaarlijks nog zo’n zevenduizend jongens en meisjes in een open of gesloten (justitieel) jeugdinternaat omdat de maatschappij vindt dat ze opvoeding en bescherming nodig hebben. Bijna duizend kinderen wonen op een schippersinternaat, en hun aantal daalt. Verder is er een handjevol prijzige particuliere internaten met ongeveer 350 leerlingen.

Welke sporen – negatief of positief – laat zo’n periode zonder de koestering en bescherming van je ouders achter? Anna Bosman, psycholoog en hoogleraar pedagogiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen, ging als schipperskind naar een internaat. Sommige medeleerlingen vonden het een nachtmerrie, anderen hadden een prima tijd. ‘Mij lijkt de leeftijd waarop je naar het internaat gaat erg belangrijk,’ zegt Bosman. ‘Zelf ging ik met 8 jaar, omdat ik zo graag wilde leren. Tot die tijd had ik me volop kunnen ontwikkelen in een erg liefdevol gezin. Op het schippersinternaat zaten later ook kleintjes van 6 of 7 jaar, wat wel erg jong is om zonder ouders op te groeien.’

Rien van IJzendoorn, hoogleraar pedagogiek in Leiden, verrichtte onlangs onderzoek op een Nederlands internaat. Dat gaf hem aanwijzingen wat het grootste probleem van een internaatsopvoeding is: ‘Het ontbreekt die kinderen vaak aan een vertrouwde persoon aan wie ze zich kunnen hechten, simpelweg omdat professionele opvoeders er niet rondom de klok, zeven dagen per week, kunnen zijn, of omdat ze geregeld van groep of baan wisselen.’ Een ander onderzoek dat hij zelf recent deed, bij jonge kinderen in kindertehuizen in de Oekraïne, liet zien dat zij dagelijks meer van het stresshormoon cortisol aanmaakten dan kinderen die opgroeiden bij hun eigen familie. En uit onderzoek bij dieren is bekend dat een verhoogd cortisolniveau op termijn gezondheidsschade kan opleveren. Maar het is onduidelijk of de situatie in deze kindertehuizen vergelijkbaar is met die op Nederlandse internaten.

De rol van de begeleiders is erg belangrijk, zegt Bosman. ‘Is er iemand bij wie je geborgenheid voelt? Kun je je aan iemand hechten? Mag je spulletjes van thuis koesteren? Dat soort ankerpunten is essentieel voor een gezonde ontwikkeling. Ik had een foto en wat speelgoed bij mijn bed die voor mij het lijntje met thuis waren.’ Ook trof ze een juffrouw die fijn kon voorlezen – uit Pitty naar kostschool – en een aardige non die gitaar speelde. Bosman: ‘Maar de sfeer was niet erg warm. Het voordeel was wel dat je je in je puberteit zonder schuldgevoel tegen hen kon afzetten. Toch was het internaat mijn thuis. Daar waren mijn vriendinnen en kreeg ik de kennis waarnaar ik zo op zoek was. Ik wist dat dat aan boord niet kon.’

Maar de belangrijkste factor noemt Anna Bosman de opstelling van je ouders. Leggen die je goed uit waarom je naar het internaat gaat? Zorgen ze ervoor dat je goed wordt behandeld? Laten ze merken dat ze van je houden? Wat voor hel was het niet voor de kinderen die klaarzaten maar geen bezoek kregen, of die in vakanties niet werden opgehaald. ‘Mijn ouders stelden voor dat ze voor mij aan de wal zouden gaan wonen, maar dat wilde ik niet,’ zegt Bosman. ‘Mijn vader liet het internaat weten dat er wat zwaaide als ze zijn dochter ook maar met één vinger zouden aanraken. En mijn moeder huilde tijdens het afscheid net zo hard als ik.’

Met dank aan Wim Balijon, die de redactie op het idee bracht voor dit artikel. Zijn inmiddels overleden echtgenote zat als kind op het meisjesinternaat Vredestein en schreef er onder de naam Willy Balyon een boek over: Maria was haar naam (Koninklijke bdu, € 10).

Vragen over opgroeien op een internaat? Plusabonnees kunnen ze voorleggen aan psycholoog en pedagoog Anna Bosman via psychologiemagazine.nl/vraagadvies[/wpgpremiumcontent]