De jeugd van Opzij-hoofdredacteur Cisca Dresselhuys

Op een schaal van 0 tot 10: hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Redelijk ongelukkig. Mijn jeugd is grotendeels bepaald door de dood van mijn vader op mijn elfde. Hij was een schat van een man en we gingen er vaak samen op uit met de Solex. Ik was een echt vaderskind. Op zijn 57ste stierf hij plotseling aan een longembolie. Dit heeft zo veel indruk gemaakt, dat ik me maar weinig herinner van de tijd daarvoor. Ik geef een 5.’

In wat voor gezin groeide u op? ‘Mijn vader was dominee. Voor haar huwelijk was mijn moeder onderwijzeres in de Jordaan. Daarna vervulde ze de taken die van een domineesvrouw werden verwacht; zieken bezoeken bijvoorbeeld. Ze hadden een heel goed huwelijk. Ik was het nakomertje. Met mijn ene zus scheel ik negen jaar, met de andere dertien. Mijn broer was zestien jaar ouder. We leefden in fatsoenlijke armoede. Mijn vader verdiende niet bepaald veel, maar we kwamen nooit iets tekort en woonden mooi in de pastorie.’

Wat voor kind was u? ‘Verlegen. Was er bezoek, dan bleef ik de hele tijd naast mijn moeders stoel staan. En als protestantse domineesdochter in katholiek Roermond bleek ik natuurlijk een

buitenbeentje. Het onbegrip tussen beide groepen was heel groot, er werd me zelfs gevraagd of protestanten wel Kerstmis kenden. Bovendien sprak ik geen Limburgs. Dat heb ik ook nooit geleerd. Als je al een buitenstaander bent, wees dan een echte.’

Naar welke middelbare school ging u? ‘Het rooms-katholieke Sint Ursula Lyceum in Roermond. Er waren amper protestantse scholen in de omgeving en bovendien hielden de nonnen je goed in de gaten. Voor bijna iedere onvoldoende fietste de klassenlerares naar je ouders. Je kunt veel zeggen van de nonnen, maar het waren wel gestudeerde vrouwen die er niet op uit waren om huisvrouwtjes van ons te maken. Ze gaven enorm goed onderwijs. Ik had dan wel onvoldoendes voor de exacte vakken, maar ik wilde vanaf mijn twaalfde al journalist worden, dus daar tilden we allemaal niet zo zwaar aan.’

Eerste zoen? ‘Van mijn buurjongetje Ernie. Ik was vijf, hij een jaar of zes en we waren dol op elkaar. Een paar jaar geleden is het contact ­her­steld. Ernie blijkt nu een hele kwieke homofiel.’

Wat heeft u geleerd van uw ouders? ‘Geërfd is misschien een beter woord. Mijn vader recenseerde boeken en schreef af en toe voor de krant. De aanleg voor spreken en schrijven heb ik van hem. De strijdbaarheid komt van mijn moeder. Zij was bijvoorbeeld een heel assertieve collectant. Ook ik moest langs de deuren voor goede doelen. Dat heeft mij eveneens assertief gemaakt. Zonder die collectes was ik waarschijnlijk nooit hoofdredacteur geworden van een feministisch maandblad.’

En wat doet u absoluut anders? ‘Mijn broer is ­dominee geworden en mijn beide zussen zijn nog gelovig, maar bij mij is het geloof weg­geëbd. Mijn moeder vond dat wel jammer en is altijd voor me blijven bidden, maar het heeft nooit tot botsingen geleid.’

Hoe vaak ziet u uw familie nog? ‘Alleen mijn zussen zijn nog in leven. We zien en bellen elkaar regelmatig, in ieder geval op belangrijke momenten als verjaardagen.’ n[/wpgpremiumcontent]