De jeugd van VVD-Kamerlid Laetitia Griffith

Op een schaal van 0 tot 10: hoe gelukkig was uw jeugd? ‘Gemiddeld toch wel een 8,5. In Paramaribo hadden we een huis met een groot erf waar mijn zusjes en ik heerlijk konden spelen. We hadden een bevoorrechte positie, omdat onze vader een bekende voetballer was in Suriname. Als we naar de bioscoop gingen of naar het stadion, kwamen we altijd makkelijk binnen.’

Wat voor kind was u? ‘Een vrolijk, slim en leergierig meisje. Ik wilde niets liever dan naar school gaan en studeren. Ik las alles wat los en vast zat. Een raadsel als dat van de Bermuda-driehoek fascineerde me enorm. Later leende ik van mijn oma encyclopedieën, daar las ik elke dag een stukje uit.’

In wat voor gezin groeide u op? ‘Bij ons waren de taken redelijk traditioneel verdeeld. Mijn vader voetbalde en werkte daarnaast op de afdeling Burgerzaken. Als hij thuiskwam, stond het eten klaar. Hij speelde veel met ons, op dat gebied was hij een echte vader. Toen ik zeven was, ging mijn moeder ook werken. Vanaf dat moment kregen wij als dochters allemaal huishoudelijke taken. We hebben al jong geleerd verantwoordelijkheid te dragen.’

Eerste herinnering? ‘Dat mijn zusje uit

de papajaboom viel en een hersenschudding had. Mijn oudste zus en ik wisten meteen dat we op onze kop zouden krijgen. Wij hadden het haar moeten verbieden, maar ja… Papaja is een heel lekkere vrucht.’

Wat vergeet u nooit meer? ‘In Suriname kwam het stiefbroertje van mijn moeder over uit Aruba. Hij had rechten gestudeerd en kon daar prachtig over vertellen. Ik was negen en op dat moment wist ik: ik word later ook jurist.’

Wanneer was uw eerste zoen? ‘Dat was op mijn vijftiende. Ik wist absoluut niet hoe je jonge geliefden moest zijn. Bij Amerikaanse films vroeg ik me altijd af hoe ze het toch deden, met hun kleren nog aan.

Ik was in de liefde zo bang gekwetst te worden, dat ik me maar moeilijk kon geven. Het heeft lang geduurd voordat ik doorhad dat je een sterke vrouw kunt zijn, en je tegelijkertijd emotioneel kunt overgeven aan de liefde.’

Hoe vaak ziet u uw familie nog? ‘Heel vaak, we hebben een ontzettend sterke familieband. Mijn vader spreek ik vooral over de telefoon, hij woont als enige van het gezin nog in Suriname. Ondanks dat we elkaar weinig zien, heb ik een heel goed contact met hem.’

Wat heeft u geleerd van uw ouders? ‘Mijn moeder heeft me geleerd goed voor mezelf te zorgen. Ze hamerde erop dat ik sterk en onafhankelijk moest zijn. Anders dan in Nederland zijn er in Suriname nauwelijks sociale voorzieningen. Als je daar niet je geld weet te verdienen, heb je een groot probleem. Mijn moeder wilde haar dochters daartegen beschermen. Van mijn vader heb ik vooral medemenselijkheid meegekregen. Hij is een sociale man met veel oog voor zijn omgeving.’

En wat doet u absoluut anders? ‘Mijn moeders slogan was “Eenmaal in het schuitje: doorvaren!— Zo keek ze ook tegen haar huwelijk aan. Ik heb juist het tegenovergestelde: ik wil mijn eigen weg gaan. Op mijn twintigste ben ik naar Nederland verhuisd, mijn moeder is een paar maanden later gevolgd. Inmiddels wonen mijn zussen ook hier. Mijn vader heeft in Suriname een vriendin, maar mijn ouders zijn officieel niet gescheiden. Diep in hun hart houden ze volgens mij nog steeds van elkaar.’ n[/wpgpremiumcontent]