Zitten er antibiotica-resistente bacteriën op die wc-deur? Beraamt die man met die baard en die rugzak misschien een zelfmoordaanslag? De druiven in deze salade, zijn die niet vergeven van de bestrijdingsmiddelen? En was er niet een relatie tussen druiven eten en parkinson?

TEST
Doe de test »

Waarvoor ben jij het bangst?

Alles lijkt riskant, vandaag de dag. Tegelijkertijd was onze gezonde levensverwachting nog nooit zo hoog. Dat valt lastig met elkaar te rijmen. Ondanks ons unieke vermogen om grote hoeveelheden informatie te analyseren, blijken wij mensen niet bijster goed te zijn in het inschatten van risico’s.

Hoe komt het dat onze risicoperceptie tekortschiet? Dat is voor een groot deel evolutionair bepaald, zegt neurowetenschapper Joseph LeDoux, schrijver van het boek The emotional brain. Ons brein leeft namelijk nog steeds in de prehistorie, en het reageert op complexe, moderne gevaren hetzelfde als op de directe, simpele gevaren van de jungle. Daardoor maken we allerlei denkfouten als we gevaar bespeuren.

Ons brein heeft twee systemen om informatie te verwerken: het intuïtieve (ons emotionele brein) en het analytische (ons verstand). Voor risicoperceptie vertrouwen we op het eerste systeem. Een sleutelfunctie daarbij speelt de amygdala, het hersencentrum dat bij acuut gevaar het complete brein kaapt en de bekende vecht-of-vluchtreactie uitlokt. ‘Dankzij de amygdala hebben we als soort overleefd,’ zegt LeDoux. ‘Als we een slang zien, gaan we niet eerst nadenken wat het beest eventueel wil; we slaan op de vlucht vóór we er erg in hebben.’

Hoewel er verbindingen zijn tussen de amygdala en de hogere delen van het brein waar verstand en analytisch vermogen zetelen, heeft het alarmcentrum volgens LeDoux meestal het laatste woord. ‘Zenuwimpulsen reizen veel makkelijker van de amygdala naar de hogere regionen dan andersom. Daardoor zijn we geneigd ook in complexere, abstracte situaties naar onze amygdala te luisteren. En die oordeelt primitief, niet rationeel. Dat is heel functioneel bij een aanstormende tram, maar de amygdala reageert ook op alarmerende krantenkoppen, geruchten of schokkende televisiebeelden. Omgekeerd reageert hij niet op rationele dreigingen die hij niet als gevaarlijk herkent, zoals een statistiek. Daardoor schatten we complexe risico’s vaak óf veel te hoog, óf veel te laag in.’

Zeven voorbeelden waarin het emotionele brein ons op een dwaalspoor zet.

1 Wat is schadelijker voor de gezondheid: het kankerverwekkende acrylamide in aardappelproducten, of frisdrank?

‘Hoe meer angst iets oproept, hoe minder goed we kunnen inschatten hoe groot de kans is dat het gevreesde ons daadwerkelijk overkomt,’ zegt psycholoog Paul Slovic, auteur van het standaardwerk The perception of risk en topwetenschapper op het gebied van risicoperceptie. De angst voor kanker is volgens hem een goed voorbeeld. We associëren de ziekte met een lijdensweg – terecht. Zodra we iets horen over een nieuw geïdentificeerde kankerverwekkende stof, doen we ons best producten die deze stof bevatten te ­vermijden. ‘Maar het risico dat consumptie van desbetreffend product ons daadwerkelijk kanker zal bezorgen is in de meeste gevallen onmeetbaar klein,’ aldus Slovic. ‘De angst heeft dan het verstand gekaapt en onze reactie is irrationeel. Tegelijkertijd doen veel mensen elke dag onbekommerd dingen waarvan vaststaat dat ze het risico op bijvoorbeeld diabetes of een hartziekte verveelvoudigen.’ Uit diverse grote studies blijkt dat vooral frisdrankconsumptie een onderschatte boef is. Maar omdat we ons bij overgewichtgerelateerde ziekten minder kunnen voorstellen, staan we daar niet bij stil.

2 Wat is een riskantere manier van reizen: vliegen of autorijden?

We overschatten de kans dat we slachtoffer worden van zeldzame gebeurtenissen, zoals aanslagen, aardbevingen en vliegrampen, terwijl we de risico’s van alledaagse gebeurtenissen juist onderschatten. Het spectaculaire en ongewone maakt simpelweg meer indruk op ons emotionele brein. Dus beschouwen veel mensen vliegen als gevaarlijker dan autorijden, terwijl het statistisch gezien andersom is.

Dat effect wordt nog versterkt door de hoeveelheid media-aandacht voor spectaculaire rampen. Paul Slovic: ‘Hoe vaker we angstaanjagende beelden terugzien, hoe waarschijnlijker het ons lijkt dat ons hetzelfde kan overkomen. Bij de aanslagen op 11 september 2001 kwamen drieduizend mensen om het leven. De beelden werden eindeloos herhaald. Veel Amerikanen hielden het vliegen vervolgens even voor gezien. Een begrijpelijk, maar irrationeel en zelfs contraproductief besluit. Vliegen bleef na de aanslagen even veilig als altijd, terwijl autorijden juist tijdelijk riskanter werd. Waarom? Tienduizenden angsthazen kropen achter het stuur, met het idee dat ze hun lot dan tenminste zelf in de hand hadden. Er waren dus veel meer mensen op de weg, waardoor de risico’s van verkeersdeelname toenamen. Van oktober tot en met december 2001 vielen in Amerika duizend verkeersdoden meer dan normaal in die periode.’

3 Wie veroorzaken meer verkeersongevallen: mannen of vrouwen?

De uitdrukking ‘vrouw achter het stuur, bloed aan de muur’ doet het in schaftketen nog altijd goed. Interessant genoeg is het tegendeel het geval en dat heeft alles te maken met risicoperceptie. Kennelijk jaagt onhandigheid ons meer angst aan dan overmoed.

Uit internationale statistieken blijkt dat vooral de mannelijke weggebruikers het bloed vergieten. In Nederland komen per miljard gereden kilometers drie mannen en nog geen twee vrouwen om. Veruit de meeste dodelijke verkeersongevallen worden volgens het Centrum voor Verzekeringsstatistiek veroorzaakt door jonge mannen.

Training

In 3 stappen naar je droombaan

  • Ontdek wat je passie is
  • Krijg meer energie en inspiratie
  • Verdien geld met wat je leuk vindt
bekijk de training
Nu maar
€ 95,-

‘Vrouwen hebben vaak een iets minder goed ruimtelijk inzicht, weten dat van zichzelf en meten zich om die reden een onzekere, defensieve rijstijl aan, net als ouderen en bijzienden,’ zegt de Amerikaanse psycholoog Doreen Kimura. ‘Mannen zijn van nature zelfverzekerder en veel meer op zoek naar hun grenzen. In feite zien ze het verkeer als hun jachtterrein. Maar in de asfaltjungle leidt een superieur ruimtelijk inzicht tot een vals gevoel van veiligheid.’

Als mannen een inschattingsfout maken, zijn de gevolgen dan ook vaak ernstiger, zo blijkt ook uit cijfers van ons eigen cbs. Kimura: ‘Vrouwelijke ongelukken vallen vaak in de categorie “lullig”. Paaltjes en zo, een kras in de lak van de Ferrari van de buurman.’

4 Wat is riskanter: je hele leven wonen naast een kerncentrale, of één rit over de Route du Soleil?

Uit een Duits onderzoek bleek onlangs dat de meeste mensen het leven naast een kerncentrale riskanter achten dan de relatief korte rit over de Route du Soleil. Terwijl de kans om in die zestien auto-uurtjes het leven te laten bij een verkeersongeluk duizenden malen groter is dan de kans om te sterven als gevolg van het wonen naast een kerncentrale. We schatten het risico van de kerncentrale te hoog in, omdat we niet goed begrijpen wat daarbinnen gebeurt en omdat een eventueel ongeluk verschrikkelijke consequenties heeft. Dat wakkert angst aan – dus lijkt het gevaarlijker.

Hetzelfde geldt voor genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen. Niemand weet precies wat die vreemde genen in het lichaam doen, dus slaat het angstcentrum in ons brein al snel op tilt. Maar, stelt wetenschapper Aaron Wildavsky in zijn boek But is it true? nuchter vast: ‘Sinds de mens gewassen teelt en vee houdt, is hij intensief bezig met genetische modificatie. Of je het genetische materiaal van een plantje nu verandert door tientallen jaren kruisen of door het genetische materiaal in een laboratorium direct in de gewenste vorm te gieten, maakt voor de aard van het plantje en voor de mensen die het opeten niets uit. Ons lichaam wordt niet beïnvloed door de genen in de producten die we eten.’

Volgens Nanne de Vries, sociaal-psycholoog en hoogleraar gezondheidsvoorlichting aan de Universiteit van Maastricht, spelen bij het afwegen van een risico ook morele overwegingen een grote rol. ‘Wanneer de waarnemer meent dat een risico samenhangt met menselijk ingrijpen dat hij onnatuurlijk of immoreel vindt, zal hij dat risico hoger inschatten. Genetische manipulatie is een schoolvoorbeeld.’

5 Waar woont u gevaarlijker: in een aardbevingsgebied in Midden-Italië of langs de Nederlandse grote rivieren

We vrezen het recent gebeurde vaak meer dan het statistisch waarschijnlijke. Van recente rampen staan de indringende beelden ons namelijk nog helder voor de geest, en ook dat triggert het emotionele brein. Als een reële dreiging heel lang niet wordt ‘waargemaakt’, maken we ons er juist te weinig zorgen over en onderschatten we het risico. Psycholoog Nanne de Vries noemt het ‘afnemende cognitieve beschikbaarheid’. Zo zijn we de desastreuze gevolgen van een overstroming na een aantal jaren weer grotendeels vergeten. Na een periode van voorzichtigheid bouwen we weer vrolijk huizen in uiterwaarden waarvan we weten dat ze vroeg of laat opnieuw zullen onderlopen. Tijdens zo’n crisis spreekt iedereen van een wake-up call, maar in werkelijkheid is het meestal een snooze-alarm, waarschuwden waterbouwkundigen van de Technische Universiteit Delft vorig jaar tijdens een congres.

6 Wat is gevaarlijker: zelf rijden of bij je buurvrouw in de auto stappen?

Iedereen met een rijbewijs kent het gevoel: je zit naast een ervaren bestuurder, maar je voet beweegt voortdurend naar de denkbeeldige rem. Zelf rijden voelt voor veel mensen veiliger vanwege het gevoel van controle, ook al is hun rijvaardigheid objectief gezien matig.

Parallel hieraan stelde Paul Slovic vast dat mensen een risico ook hoger inschatten als ze het gevoel hebben dat het ze door een ander wordt opgelegd. ‘Als de buurman een reparatie aan zijn woning uitvoert waarbij het risico bestaat dat hij ons huis ­beschadigt, hebben we daar meer moeite mee dan wanneer we zelf een reparatie uitvoeren die een veel grotere kans op schade geeft. Zodra we een bepaald risico nemen om er zelf beter van te worden, schatten we dat risico lager in.’

7 Waar gebeuren meer ongelukken: op een kruispunt met haaientanden en verkeersdrempels of op een kruispunt zonder aanwijzingen

Psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat het vaak niet zozeer de omstandigheden zelf zijn die een situatie veilig of onveilig maken, als wel de mate van risico die we ervaren. Toegegeven: zwemmen tussen hongerige krokodillen is gevaarlijker dan televisiekijken. Maar bij activiteiten die qua gevaar ergens tussen die twee uitersten in vallen, wordt het risico dat we lopen voor een belangrijk deel bepaald door onze ‘risicothermostaat’. Ieder mens heeft per activiteit een eigen risico setpoint. Als we heel weinig risico ervaren, worden we automatisch wat roekelozer; als we veel risico ervaren en over dat comfortabele setpoint heen gaan, worden we juist voorzichtiger. Dat onbewuste zoeken naar de juiste hoeveelheid risico heet risicohomeostase.

Toen de Zweden eind jaren zestig besloten rechts te gaan rijden, voorspelden psychologen en verkeersdeskundigen rampzalige consequenties. Op de dag van de waarheid waren politie, brandweer en ambulancepersoneel op volle sterkte paraat. Trauma­teams stonden in de startblokken. Maar ze hadden niets te doen. Sterker nog, gedurende het hele jaar vielen er 17 procent minder verkeersdoden dan in het voorafgaande jaar. De meeste mensen vonden de gedachte plotseling aan de ‘verkeerde’ kant te moeten rijden zo bedreigend, dat ze veel anticiperender reden dan gebruikelijk. Na iets meer dan een jaar was iedereen aan de nieuwe situatie gewend en steeg het aantal verkeersdoden weer naar het oude niveau.

Je kunt hieruit afleiden dat de risicothermostaat van de meeste mensen in het verkeer iets te laag staat. Mede op basis van dit fenomeen stellen verkeerspsychologen steeds vaker voor om bijvoorbeeld kruispunten opzettelijk een beetje onoverzichtelijk te maken, of met behulp van ruimtelijke trucs de illusie van een gevaarlijke situatie te scheppen. Die slimme manipulatie van onze risicoperceptie heeft het aantal verkeersdoden op sommige plekken met wel 80 procent verminderd.

Een fatale misrekening

Dat we op basis van angst gemakkelijk een vertekend beeld van ons risico creëren, illustreert de tragische dood van de 22-jarige marathonloper David Rogers. Uitdroging is levensgevaarlijk, galmde het op 22 april 2007 als een mantra in zijn hoofd, terwijl hij de digitale thermometers langs de route van de Londense marathon zag oplopen tot een ongebruikelijke 22 graden. Dus dronk hij elk bekertje water dat hij te pakken kreeg. Maar na in een mooie tijd te zijn gefinisht, klapte David tegen het asfalt. Acute hartstilstand. Reanimatie mocht niet meer baten.

Het klopt dat uitdroging tijdens hardlopen onder extreem warme omstandigheden mogelijk is. Maar verreweg het grootste risico is dat duursporters bij warm weer te veel zout en kalium verliezen, met levensbedreigende hartritmestoornissen als mogelijk gevolg. Water drinken maakt de zaak erger. Jaarlijks bezwijken tientallen marathonlopers aan dit fenomeen, waarschuwingen van inspanningsfysiologen ten spijt. Kennelijk is het schrikbeeld van uitdroging gemakkelijk op te roepen; het risico van een laag zoutgehalte is veel abstracter, dus blijft het lopers minder bij. David Rogers stierf aan hyponatremie, een veel te laag zoutgehalte in het bloed. Het risico dat hij in lente-achtig Londen oververhit of uitgedroogd was geraakt als hij helemaal niks had gedronken, is ongeveer gelijk aan nul.

Het is maar net hoe je het brengt

De manier waarop mensen winst en verlies waarderen, bepaalt ook hoe ze risico’s beoordelen. In een klassiek experiment lieten de economen Tversky en Kahneman proefpersonen beslissen over het lot van een fictieve eilandbevolking die is getroffen door een fictieve epidemie. Er zijn twee medicijnen, A en B, elk met hun eigen makke. Niets doen leidt met zekerheid tot de dood van alle 600 eilandbewoners.

Vanuit het ‘verliesperspectief’ worden de opties als volgt gepresenteerd: Verstrekking van medicijn A leidt tot het overlijden van 400 mensen. Bij verstrekking van medicijn B is er 33 procent kans dat niemand sterft en 67 procent kans dat alle 600 mensen doodgaan. In het onderzoek kiest 78 procent van de proefpersonen voor verstrekking van medicijn B, dus voor het onzekere alternatief.

Vanuit het ‘winstperspectief’ worden de opties zo gepresenteerd: Verstrekking van medicijn A leidt tot het redden van 200 levens. Bij verstrekking van medicatie B is er 33 procent kans dat alle 600 mensen overleven en 67 procent kans dat er niemand kan worden gered. Bij die voorstelling van zaken kiest slechts 28 procent voor de riskante optie. De meesten gaan nu voor die met zekerheid gespaarde 200 levens.

Sociaal-psycholoog en hoogleraar gezondheidsvoorlichting Nanne de Vries: ‘Hoewel in beide gevallen precies hetzelfde risico is voorgelegd, zijn mensen vanuit een winstperspectief risicomijdend en vanuit een verliesperspectief risicozoekend. Kahneman en Tversky lieten eerder zien dat mensen 50 procent kans op verlies van tweehonderd dollar subjectief minder erg vinden dan een zeker verlies van honderd dollar, terwijl de statistische waarde van beide keuzes gelijk is. Geconfronteerd met mogelijke winst kiezen mensen dus risicomijdend. Geconfronteerd met mogelijk verlies kiezen ze juist risicozoekend.’