De liefde van een vader

Vaderliefde is een zeldzaamheid in de natuur. Bij slechts 5 procent van de zoogdieren heeft vader een actieve rol in de zorg voor de kleintjes. Ook chimpansee- en bonobomannetjes zijn vrij onverschillig met hun kroost. Waarom bestaan er bij de mens zoveel liefdevolle, zorgzame vaders? Gek genoeg lijkt een toegewijde vader die zijn kinderen knuffelt en Rupsje Nooitgenoeg voorleest meer op een pinguïn dan op een chimpansee. Een keizerspinguïnmannetje beschermt zijn ei een poolwinter lang tegen de barre kou, en als hij het jong heeft uitgebroed, houdt hij het warm tussen een dikke huidplooi en geeft hij een melkachtige substantie op om het te voeden.

Waarom zijn pinguïn- en mensenvaders zo zorgzaam (en chimpansee- en koeienvaders niet)? Waarschijnlijk omdat de zorg voor een kleine voor alleenstaande keizerspinguïnvrouwtjes en prehistorische mensenmoeders veel te zwaar was. Keizerspinguïns moeten hun ene nakomeling zien te behouden in de keiharde omstandigheden op de Zuidpool. En wij hebben, zeker vergeleken met andere zoogdieren, extreem hulpeloze baby’s. Het duurt een eeuwigheid voor ze op eigen benen kunnen staan. Kinderen van een zorgzame vader hadden simpelweg meer kans gezond groot te worden en zich weer voort te planten. Het ideale scenario voor het ontstaan van knuffelende en voorlezende papa’s.

Zorginstinct

Een aap die een jong poesje onder haar hoede neemt, een leeuwin die een antilopenkalf beschermt, een schildpad met een nijlpaardbaby. Bloed kruipt soms waar het niet gaan kan, bewijzen talloze aandoenlijke plaatjes op internet.

Het lijkt tegennatuurlijk als een dier zich over een heel andere diersoort ontfermt: veel energie gaat zo verloren aan vreemde genen. Maar het zorginstinct van veel beesten zit zo diep en is zo sterk dat het dit nadeel overstemt. Een hertenmoeder – zo bleek uit Canadees onderzoek – haast zich daarom net zo hard in de richting van het geluid van een huilende jonge zeehond, een gestrest vleermuisjong of een blèrende mensenbaby als naar haar eigen jammerende kroost. Het overeenkomstige in deze klagerige huiltjes triggert haar: ze móét erheen om te zorgen. Beter tien keer ten onrechte dan één keer te laat; zo dicteert haar instinct. Miljoenen jaren evolutie maakten zorgen – zeker bij zoogdieren – niet alleen tot een taak, maar tot een diepe behoefte. Zij die deze behoefte niet voelden, brachten simpelweg minder nakomelingen groot.Bij ons stroomt de liefde met even groot gemak over de soortgrenzen. Miljoenen mensen ontfermen zich over vreemde diersoorten. Ze verzorgen en bemoederen hun hond of kat als bloedeigen kinderen. Als zij ze horen klagen, dan haasten ze zich met brokjes, aaitjes en lieve woordjes.

Oefenspel

Rollebollen en doen alsof, gewoon voor het plezier. Vrijwel alle jonge en warmbloedige dieren spelen dat het een lieve lust is. Maar zelfs gifpijlkikkers, wespen en sommige vissen houden van donderjagen. Net als kinderen die een tijd in een schoolbankje of autostoeltje hebben ‘vastgezeten’, gaan dieren die een poosje niet mogen spelen zelfs ‘rebound spelen’: extra hard klieren en wildebrassen om hun speeltekort in te halen.

Met spelen oefenen we niet alleen met vaardigheden die we in de toekomst nodig hebben voor serieuze zaken, zoals vluchten en jagen. We maken tegelijkertijd ook stofjes aan die zenuwgroei in de hersenen bevorderen, vooral in gebieden die essentieel zijn voor het verwerken van emoties en het nemen van beslissingen. Spelen leidt tot mentale souplesse, probleemoplossend vermogen en sociale vaardigheden.Als de hersenen zijn volgroeid, stoppen de meeste dieren en mensen met spelen. Maar wie tot op hoge leeftijd speels weet te blijven, is minder vatbaar voor neurologische problemen en mentale roest. Neem dus een voorbeeld aan het volwassen nijlpaard dat onder water koprollen maakt, aan de kraai die zich krijsend langs een besneeuwd dak laat roetsjen en de bejaarde poes die zich nog laat verleiden om te voetballen met een kurk. Het leven wordt er ook nog eens een stuk plezieriger van.

Hormonaal ongemak

Een puberende pinguïn heeft het niet makkelijk. Zijn vleugels zijn te lang, z’n veren zitten nog niet op de juiste plek en hebben nog niet de juiste kleur. Hij is geen kind meer, snakt naar zelfstandigheid, maar zijn moeder bemoeit zich nog met van alles.

Niet alleen de mens heeft zo’n ongemakkelijke levensfase. Eigenlijk alle dieren die niet direct na de geboorte geslachtsrijp zijn moeten door een turbulente periode van transformatie. De hormonen die deze veranderingen sturen, hebben niet alleen invloed op de geslachtsdelen en uiterlijke veranderingen, maar ook op emoties en gedrag. In deze fase draait alles om het vinden van je plek binnen je sociale groep, en daarmee je positie op de liefdesmarkt. Stoer doen en autoriteit uitdagen is dus ook in de dierenwereld echt iets voor pubers. Jongvolwassen apen beginnen ruzies met hooggeplaatste soortgenoten, puberende mannetjesberen gaan lopen als gangstarappers. Er worden nieuwe houdingen, nieuwe geluiden en bewegingen uitgeprobeerd. Sommige jonge dieren maken zich los van hun familie en verlaten aan het einde van de puberteit hun vertrouwde groep om elders een eigen leven op te bouwen. Langzaam komt iedere puber tot rust en rijpt uit. Lijf en leden komen in verhouding, haren en veren vallen op hun plek. Het volwassen leven kan beginnen.

Ruzie in de tent

Kijk die schattige pluizenbolletjes: vers uit het ei, gezellig zij aan zij. Maar vergis je niet: een vol nest is warm, maar ook woelig. Er wordt veel geduwd, getrokken en geschreeuwd om aandacht. Broers en zussen zijn namelijk ook elkaars concurrenten. Aandacht van pa en ma betekent in de dierenwereld vaak meer voedsel, en meer kans te overleven. Bij schaarste eisen de oudste kuikens soms vrijwel al het eten op. De benjamin raakt daarbij soms zo verzwakt dat hij sterft of zelfs onderdeel wordt van het menu.

Sibling rivalry is de Engelse term voor de rivaliteit tussen broers en zussen, ook bij de mens. Bij jonge kinderen is deze rivaliteit het sterkst – denk aan peuters die elkaar de hersens inslaan of moeite hebben met de nieuwe baby in huis. Voor ongeveer een derde van de volwassenen blijft de relatie met een broer of zus vijandig of afstandelijk. De vraag wie de meeste aandacht van de ouders kreeg en krijgt, blijft voor sommigen van hen een pijnlijk thema. Ouders hebben veel invloed op de band tussen broers en zussen, zo blijkt uit onderzoek. Aandacht gelijkelijk verdelen, kinderen niet steeds vergelijken en samenwerking belonen voorkomt veel haat en nijd. Want net als bij uilskuikens is de rivaliteit tussen mensenkinderen het grootst bij schaarste.