opvoeden_los_previewZal ik wel of zal ik niet? Dat heb ik wel bijna tien minuten gedacht. Bij het stoplicht besloot ik het wél te doen. Ik haalde diep adem en sprak de moeder aan. Het was me opgevallen dat ze haar zoontje de hele weg op zo’n drie meter achter zich had laten fietsen. Het jongetje reed op zo’n minifietsje waar de zijwieltjes net vanaf waren. Slechts een paar keer keek de moeder om, om te zien of haar zoontje nog volgde.

Jaren geleden, toen mijn oudste zoon 5 was, fietste ik ook zo met hem door Amsterdam. Totdat een crècheleidster eens tussen neus en lippen door opmerkte dat ze er écht niet bij kon als ouders hun kinderen áchter zich lieten fietsen in plaats van vóór zich. Kinderen achter je aan laten rijden was zó gevaarlijk. Er volgde een gruwelijk verhaal van een kind dat, zonder dat de moeder het doorhad, werd geschept door een auto en op slag dood was.

Toen ik dit verhaal hoorde, heb ik wat schaapachtig staan knikken. Ondertussen verweet ik mezelf dat ik dit natuurlijk best zelf had kunnen bedenken. Sindsdien moesten mijn kinderen altijd voor of naast mij rijden.

Als ik de fietsende moeder aanspreek bij het stoplicht – ‘Sorry, dit klinkt misschien héél bemoeizuchtig, maar ik was zelf zo blij dat iemand mij deze tip gaf’ – reageert ze eerst een beetje korzelig. Normaal fietst haar zoon wél naast haar. En ze weet ook wel dat ik gelijk heb. Maar nu ging het gewoon even niet – of zo. Als ik me nog een keer verontschuldig voor mijn bemoeizucht kijkt ze al wat vriendelijker en fietst ze door. Met haar zoontje náást zich. Dat wel.

Een heel dorp

In 1996 introduceert Hillary Clinton – toen nog first lady – de inmiddels gevleugelde, uit Afrika afkomstige zin ‘It takes a village to raise a child’. In Nederland wordt deze gedachte al jarenlang omarmd door hoogleraar pedagogiek Micha de Winter. Volgens De Winter zou opvoeden geen zaak moeten zijn van ouders alleen, maar van iedereen. We moeten het weer normaal gaan vinden om elkaar te ondersteunen bij het opvoeden van onze kinderen. De overheid zou dat ‘samen opvoeden’ moeten faciliteren door ouders meer gelegenheid te bieden om elkaar te ontmoeten. De Winter heeft het over het creëren van een ‘pedagogische civil society’.

Maar wat vinden ouders zelf van dit idee om samen kinderen op te voeden? Onderzoek van de aan de Universiteit van Utrecht verbonden Marije Kesselring laat zien dat ouders hier tamelijk tegenstrijdige gedachten over hebben. Zij stelt dat ‘de meeste ouders het opvoeden van kinderen een privéaangelegenheid vinden waar anderen zich niet te veel mee moeten bemoeien.’ Tegelijkertijd ontdekte ze dat ruim 75 procent van de ouders vond dat andere mensen best mochten helpen bij het opvoeden van hun kinderen.

Dat lijkt raar, maar Kesselring heeft er wel wat verklaringen voor. Zo lijkt het erop dat ouders vooral niet willen dat andere ouders zich bemoeien met de normen en waarden die ze hun kinderen bijbrengen. Maar praktische hulp – bij een partijtje bijvoorbeeld – of samen praten over opvoedervaringen, vinden ze vaak wél fijn. Ook kunnen de meeste ouders het wel waarderen als buren een oogje in het zeil houden en zo nodig ingrijpen als hun kinderen aan het buitenspelen zijn. Voorwaarde is wel dat de ouders dan zelf niet in de buurt zijn. Zijn ze dat wel en grijpt een buurman of buurvrouw dan óók in, dan vinden de meeste ouders dat heel vervelend. Dan voelen ze zich beoordeeld en daar zijn ze niet van gediend.

Schuldgevoel

Vanwaar die lichtgeraaktheid? Waarom voel ik me zo schuldig als iemand zegt dat het heel stom is om je kind achter je te laten fietsen? En waarom heeft die moeder die ik erover aanspreek, er ook zichtbaar moeite mee? We maken toch allemaal fouten? En we kunnen allemaal toch wel wat hulp gebruiken?

In zijn boek Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding komt De Winter met een verklaring hiervoor. In grote lijnen komt die erop neer dat we sinds de ontzuiling individualistischer zijn geworden. Omdat we vaak niet meer tot een bepaalde gemeenschap – katholiek, protestants, liberaal, socialistisch – behoren die min of meer dezelfde opvatting heeft over hoe je moet leven en hoe je je kinderen moet opvoeden, moeten we dit soort vraagstukken nu helemaal zelf gaan oplossen.

We moeten onze opvoedinformatie bij elkaar googelen en die – soms tegenstrijdige – informatie vervolgens zélf afwegen. Is dat gelukt, dan zijn we vervolgens voor honderd procent zélf verantwoordelijk voor de opvoedbeslissingen die we nemen. Er is geen algemeen geldende norm meer waar we die beslissing aan kunnen toetsen. Die grote verantwoordelijkheid kan leiden tot veel onzekerheid en angst om fouten te maken. Elke fout is jou nu immers persoonlijk aan te rekenen.

Mee-worstelen

Wat de boel er daarbij niet gemakkelijker op maakt, is dat ouders zich veel meer dan vroeger verantwoordelijk voelen voor het geluk van hun kinderen – geheel in lijn met de huidige maakbaarheidsgedachte. Daarnaast hebben ze juist weer minder tijd om aan dat geluk te besteden. Want vrouwen werken nu meer buitenshuis en mannen zijn amper minder gaan werken.
Dus als de buurman jou als ouder aanspreekt op een opvoedflater, dan wakkert hij in één keer al die opvoedtwijfels en onzekerheden aan die je misschien net met veel moeite in toom hebt weten te houden.

Maar er is meer. Volgens kinderpsycholoog en opvoedkundige Tischa Neve is het soms ook heel begrijpelijk en terecht dat ouders zich ergeren aan ongevraagde bemoeienis met hun opvoeding. We moeten volgens haar oppassen om te snel te oordelen over situaties waarvan we de achtergrond niet kennen. ‘Ik vind ook van alles als ik ouders met hun kinderen bezig zie. Maar ik bedenk dan ook meteen dat er van alles kan zijn dat ervoor zorgt dat de situatie op dat moment zo is. Misschien heeft de moeder die uit haar slof schiet tegen haar kleuter in de supermarkt, daarvoor al tien keer op een vriendelijke toon tegen haar kind gepraat. Of misschien heeft ze die dag net een heel naar bericht gekregen. Ik ben ook niet altijd even “zen”.’

Zo kan het wel

opvoeden_heel_preview-2Er zijn volgens Neve ook goede manieren om iets tegen ouders te zeggen over de opvoeding van hun kinderen. Al plaatst ze daar meteen ook een kanttekening bij. Op de eerste plaats stelt ze dat het doorgaans slimmer is om je niet te bemoeien met mensen die je niet kent. Behalve natuurlijk als er echt sprake is van mishandeling of gevaar. Zie je dat een vriend(in), een broer of zus of een ouder van school in een lastige opvoedsituatie zit, kom dan niet meteen met je tips aanzetten.

Wat volgens Neve goed kan werken, is zeggen dat je de worsteling van de ouder herkent. Zo stel je je om te beginnen niet superieur op en geef je toe dat jij ook weleens worstelt met de opvoeding. Oftewel: ga naast iemand staan en niet boven iemand. Wat je vervolgens kunt zeggen is dat jij in een vergelijkbare situatie wat bruikbare tips hebt gekregen of met vallen en opstaan wat wijzer bent geworden. Die tips moet je volgens Neve dan niet meteen gaan geven. Beter is het om te vragen of een ouder die misschien wil horen. Dus: ‘Ik zie dat je dochter geen groente wil eten. Lastig hè, ik had dat ook met mijn dochter. Van mijn zus kreeg een paar goede tips die echt werkten bij ons. Misschien is het ook wel wat voor jullie.’ Als er interesse is, kom je pas met de tips over de brug.

Geef maar toe

Wat ook kan werken: iets vertellen waarvan je denkt dat het nuttig kan zijn voor de ander. ‘In vakanties laat ik bijvoorbeeld weleens vallen dat ik het planbord weer van zolder heb gehaald voor de kinderen,’ zegt Neve. ‘Vakantiedagen zijn vaak ongestructureerd en dat kan ertoe leiden dat kinderen zich lastiger gaan gedragen. Uit ervaring weet ik dat het aanbrengen van structuur dan echt kan werken. Door die informatie te delen met ouders breng je ze op een ongedwongen manier op nieuwe opvoedideeën. ’

En wat doe je als een ander zich ongevraagd uitlaat over jouw kind? Hoe reageer je bijvoorbeeld niet meteen beledigd als een leraar op school over je puberzoon zegt dat hij enigszins arrogant overkomt (terwijl jij zeker weet dat het allemaal onzekerheid is)?

‘Zeg gewoon eerlijk wat het met je doet,’ adviseert Neve. ‘Zeg: “Deze opmerking raakt me” of, bij een ongevraagd advies: “Ik weet niet wat ik ervan vind dat je me dit advies geeft.” Of: “Hier moet ik even over nadenken.”’

Ze voegt eraan toe: ‘Als je gewoon toegeeft dat je wat onzeker wordt van dit soort opmerkingen, verandert de toon van een gesprek onmiddellijk.’
Dat laatste vergt natuurlijk wat moed. Maar als we het allemaal proberen, brengen we die pedagogische civil society weer een stapje dichterbij. Het wordt dan vast een heel mooi dorp.