Het is tien over negen in de ochtend. Sociaal-psychiatrisch verpleegkundige Petra van de Biggelaar en ik lopen naar het kantoor van de verpleegkundigen, huisje nummer 18. Een bewoner trekt vlug de vitrage dicht als we voorbijkomen.

De dertig eenpersoonshuisjes op afdeling Springelbeek hebben allemaal een eigen tuintje en staan in hoefijzervorm rond een bakstenen pleintje, met in het midden een dikke, oude eiken­boom. Door het ruisen van de bladeren klinkt een vriendelijk geklepper. Het zijn de houten pijpjes van een groot windorgel dat aan een tak van de eikenboom heen en weer bengelt. Eronder, in het midden van het pleintje, staat een tuintafel.

‘In de zomer genieten de bewoners hier van de zon,’ vertelt Petra, die al meer dan twintig jaar in de psychiatrie werkt en vier jaar geleden nauw betrokken was bij het opzetten van de huisjes. ‘Dan drinken ze een bakje koffie aan de tafel of ze zetten een stoel voor hun huis, net een volksbuurt. Soms stoken we een vuur waar we hamburgers op bakken. Dan komen ze wel naar buiten, hoor! Maar ze zijn ook zo weer weg.’

Tussen wal en schip

Tweederde van de bewoners van Springelbeek heeft schizofrenie. Ze hebben regelmatig last van psychoses, zijn dan angstig en in de war of horen stemmen. Tijdens een psychose is het contact met de realiteit soms wekenlang ernstig verstoord. ‘Die mensen zien zelf vaak niet dat ze een probleem hebben en willen geen hulp,’ legt Petra uit als we eenmaal in het kantoor zitten. ‘Maar wat is willen? Als je heel erg psychotisch bent, is er bijna niks meer wat je wilt. Dan kun je dat zelf niet meer bepalen.’

Sinds de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen uit 1994 kan iemand niet gedwongen opgenomen worden als hij geen gevaar vormt voor zichzelf of anderen. Het gevolg: de mensen die hulp afhouden, vallen tussen wal en schip. Ze verloederen of gaan zwerven. Van de naar schatting 25.000 daklozen is tussen de 30 en 40 procent psychiatrisch patiënt.

Eén op de honderd mensen in Nederland heeft schizofrenie. Als deze mensen het thuis met ambulante zorg niet redden, is het alternatief een groepswoning met vier of vijf mensen of met z’n vijfentwintigen in een paviljoen wonen. Maar dat blijkt vaak moeilijk voor schizofrene patiënten.

Heeft men in een klassiek paviljoen een vast dagritme voor de hele groep, op Springelbeek heeft iedereen zijn eigen dagritme. De begeleiders gaan uit van de behoeften van de bewoners. Dat maakt de zorg individueel en flexibel. Petra: ‘Stel dat de verplegers signaleren dat het bij iemand een te grote rotzooi aan het worden is. Als hij geen hulp vraagt, gaan we er een keer heen om het te bespreken. Lukt het niet om hem zelf aan de gang te zetten, dan krijgt hij één keer in de week ondersteuning bij het opruimen. Totdat je zo iemand plotseling zelf met een dweilkar ziet rondlopen, nog vóór het opruimen op het programma staat. Dan kunnen wij weer afstand nemen.’

Houtbewerkingsplaats

De werkwijze van Springelbeek is het beste te omschrijven als systematische rehabilitatie. Stapsgewijs bieden de verplegers ondersteuning bij het opnieuw vormgeven van een leven dat binnen de eigen opvattingen van de patiënt past. Zodra ondersteuning niet meer nodig is, trekken de verplegers zich terug.

De meeste mensen komen Springelbeek binnen nadat ze bij opname in Huize Padua een indicatie hebben gekregen voor ‘beschut wonen’ met langdurige intensieve begeleiding. Er wordt bekeken of een appartement een meerwaarde voor ze heeft boven een groepswoning of paviljoen. Bovendien moeten ze zich voorspelbaar gedragen en in staat zijn tot het maken van afspraken. ‘Ze hebben dus wel een zekere vorm van zelfredzaamheid,’ legt teamleider Rob Mesman uit. ‘Sommigen hebben zo’n vol activiteitenprogramma dat wij er zonder afspraak niet terechtkunnen. Die zitten de hele dag in de houtbewerkingsplaats of de moestuin.’

Op advies van de verplegers kunnen patiënten afspreken met een activiteitenbegeleider of crea­tief therapeut. Ook zijn er twee psychiaters, een psycholoog en een maatschappelijk werker beschikbaar. ‘Als team bewaken we dat mensen zich schoon houden en hun medicijnen op tijd innemen. We zien ze elke dag, dus alles wat afwijkt van het normale, doet bij ons een belletje rinkelen.’

Dan gaat de telefoon. Bewoner Freek is van zijn fiets gevallen en heeft last van zijn been. ‘Ik ga wel,’ zegt Petra.

Fietsdiploma

Freek is de oudste bewoner van Springelbeek. In zijn tuintje staan begonia’s, coniferen en viooltjes vrolijk door elkaar heen, bijeengehouden door een houten tuinhekje. De deur van zijn huis staat op een kier; we horen de radio spelen. ‘Hoi Freek. Ik heb iemand bij me die even je huis wil zien, mag dat?’ Een ingehouden ‘ja’ is nog net boven de top-40 uit te horen.

Freeks huis is eenvoudig ingericht met een leren zitbank, een kast en een bed. Het ruikt er naar sigarenrook. Een man met grijze krullen en een slobbertrui staat voorovergebogen aan een tafel. Hij schrijft nog snel iets in een verfrommelde, kleine blocnote en draait zich dan langzaam om. Ik krijg een trillende hand met gele vingertoppen – het onuitwisbare spoor van nicotine.

Het gaat gelukkig alweer beter met Freeks been. Als Petra hem feliciteert met zijn pasgeboren kleinkind, grijnst hij zijn bruine tanden bloot. Hij laat een boekenplank zien die vol staat met portretten van kinderen op hun gedenkwaardige dagen: de eerste communie, de gelukkige verjaardag, het pasgetrouwde stel. Freek is ingenieur. Trots wijst hij naar de muur boven zijn bed, waar een diploma Architectuur van de Technische Universiteit Eindhoven uit 1964 hangt. Ernaast, niet minder prominent, prijkt een ingelijst fiets- en traploopdiploma dat hij op Springelbeek kreeg. ‘Het fietsdiploma is terecht,’ mompelt hij. ‘Maar dat voor traplopen eigenlijk niet. Ik heb er nog steeds moeite mee.’ Zijn handen trillen hevig, waardoor er steeds nét geen stukje as van zijn sigaar valt. ‘Ik heb hoogtevrees. Als ik op de grond sta en naar beneden kijk, breekt het angstzweet me uit.’

Sinds kort schrijft Freek bladmuziek voor een groot orkest in Gemert, vertelt hij, hoewel hij zijn creaties nooit aan het orkest heeft overhandigd. ‘Waarschijnlijk pikken ze het op de een of andere manier op. Een keer hoorde ik op tv een muziekstuk en dacht: hé, dat is van mij. Maar ik wist het niet zeker.’

Freek voelt zich op Springelbeek beter dan toen hij nog in een paviljoen woonde. ‘Hier krijg ik rust en vrijheid. Er is geen bemoeizucht. Ik heb nu mijn eigen bedoening terwijl ik daar alleen een slaapkamer had.’

Patchworkdekens

Ook bij Anna, de buurvrouw van Freek, mogen we even binnenkijken. Maar niet te lang, want ze moet zich nog optutten. Om vijf uur gaat ze uit eten met haar collega’s van het winkeltje op het terrein van Huize Padua. Daar verkoopt ze zelfgemaakte patchworkdekens en schilderijtjes van afvalhout en textiel. De opbrengst gaat naar Warchild. ‘Misschien kunnen jullie mijn nagels even lakken?’ grapt ze en loopt, gekleed in een gele badjas, voor ons uit.

Anna heeft zo ongeveer alle woonvormen wel gehad: een paviljoen, een beschermde groepswoning, ze heeft zelfs een tijdje samengewoond. Net als Freek is ze nu gelukkig met haar huisje. ‘In de stad werd ik gek van de keuzes die ik moest maken. Ik kon niks weggooien, omdat ik dacht dat alles in huis nog een bestemming had in mijn leven. Hier leer ik structuur aanbrengen en opruimen. En zo’n groepswoning kan wel gezellig zijn, maar is gauw ontzettend druk. Je kiest elkaar niet uit.’

In eerste instantie was het de bedoeling dat mensen op Springelbeek getraind zouden worden om zelfstandig te wonen, buiten het terrein. Maar al gauw bleek de meerwaarde van wonen in de maatschappij niet groot genoeg ten opzichte van helemaal alleen wonen op Springelbeek. Petra: ‘Mensen wíllen gewoon niet meer weg. Dan moeten ze namelijk naar zo’n beschermde woonvorm waar je met z’n vijven in één huis zit, en gaan ze er eigenlijk op achteruit. Bovendien zijn de meeste patiënten te kwetsbaar en is hier wonen het hoogst haalbare voor ze.’

De intensief begeleide woonvorm op Springelbeek is uiteraard kostbaar, maar voor patiënten wordt de zorg vergoed door de zorgverzekeraar. Dus is de wachtlijst lang en de doorloop minimaal. Het enige antwoord daarop is meer van dit soort voorzieningen te bouwen.

Gedwongen koffiedrinken

‘Veel mensen met schizofrenie komen sociale vaardigheden te kort. Daardoor ervaren ze een enorme druk in de omgang met anderen,’ weet Rob. ‘Ik heb eens iemand meegemaakt die in een groep woonde. Daar dronken ze steevast elke avond om acht uur gezamenlijk koffie. Iedereen moest erbij zijn, maar zelf gaf hij niets om die koffie. Elke avond werd weer geroepen: Gert-Jan, kooooffie! Die man werd daar letterlijk ziek van. Rond acht uur zat hij panisch aan zijn tafel te wachten tot ze weer gingen roepen. Op Springelbeek worden ze niet meer geleefd. Zij bepalen zelf wanneer er interactie is en hoe hun dag eruit ziet. Als ze ons nodig hebben, bellen ze wel.’

Patiënten moeten wel een groot deel van de dag alleen kunnen doorbrengen. Sommige bewoners klagen over eenzaamheid; die missen de gezamenlijke huiskamer waar ze anderen kunnen ontmoeten. Daarom is het team de laatste tijd meer gaan organiseren en wordt er regelmatig een bezoek gebracht aan de bioscoop of de rommelmarkt. De bewoners kunnen zelf ook bij het kantoor langsgaan voor een gesprekje. ‘In de loop der tijd zijn wij echt een soort buren van ze geworden. Als we bij iemand op de koffie komen, zijn we er echt om te buurten. Vroeger was er altijd iets mis als er een verpleger kwam. Nu zijn we bewust niet bezig met het ziek zijn, maar proberen we gewoon de dag een beetje leuk te maken.’

Rode lippen

‘De zon komt eraan!’ roept Anna, die zich heeft klaargemaakt voor haar etentje en nog even gedag komt zeggen. Ze heeft haar lippen rood gestift en haar haren samengebonden met een grote roze strik. Vrolijk gooit ze haar armen in de lucht. ‘Doeiiii!’

Er gaat een deur open. Voorzichtig steekt een bewoner zijn hoofd om de hoek. Een waterig zonnetje weerspiegelt in de ramen van de huisjes. Freek is al buiten op zijn tuinstoel gaan zitten.

 

Meer informatie

GGZ Oost-Brabant Huize Padua, tel. 0492-846000[/wpgpremiumcontent]