De mens mag zich graag onderscheiden van de dieren. Uiterlijk vertonen we weliswaar vage gelijkenis met sommige apen, maar met ijsvogels of pissebedden voelen we ons niet verwant. Immers: wij hebben taal en cultuur, wij kunnen diepe vriendschappen aangaan en goed en kwaad van elkaar onderscheiden. Zij kunnen en doen dat allemaal niet.

O nee? Vier redenen waarom mens en dier meer met elkaar gemeen hebben dan we denken.

1 Dieren praten ook

Wetenschappers hebben het echt geprobeerd, maar het is nooit gelukt om een aap iets te laten zeggen in mensentaal. Maar dat wil niet zeggen dat dieren niet praten. Dieren – en zelfs planten – communiceren net zo goed met elkaar, alleen doet iedere soort dat op zijn eigen manier. Van chimpansees in de dierentuin van Edinburgh is bijvoorbeeld aangetoond dat ze specifieke geluiden maken om bepaalde objecten aan te duiden. Ze hebben bijvoorbeeld taal voor etenswaren: zo is er een ‘broodgrom’ en een ‘appelgrom’.

Hoe socialer het dier, hoe meer het communiceert. Sociale insecten als bijen vertellen elkaar precies waar de honing te vinden is met behulp van een ingewikkelde dans. Vleermuizen, die samenleven in een complexe en druk bevolkte maatschappij, hebben een rijk repertoire aan geluiden en

‘lettergrepen’ om de omgang met elkaar soepeltjes te laten verlopen. En als mensen beter zouden luisteren, zouden we horen dat het gezang van vogels vaak veel complexer en rijker is dan louter de roep waarmee ze in de boekjes worden beschreven.

2 Dieren kennen ook vriendschap

Veel dieren blijken sterke voorkeuren te koesteren voor bepaalde soortgenoten. Zelfs koeien hebben beste vriendinnen, bleek onlangs uit een onderzoek door de universiteit van Northampton. Koeien werden telkens een halfuur apart gezet: alleen, of met hun beste vriendin, of met zomaar een andere koe. Wanneer ze met hun speciale weidemaatje samen waren, daalde hun hartslag en de hoeveelheid stress-hormonen in hun bloed. Ze raakten juist gestrest als ze van haar werden gescheiden, of samen waren met een willekeurige ander.

Van giraffen dacht men altijd dat het hun niet uitmaakt met wie ze aan een boomtak knabbelen. Toch blijken ze persoonlijke voorkeuren te hebben: ze spenderen meer tijd aan de zijde van bepaalde individuen. Ook bij Australische dolfijnen zijn groepjes vrienden ontdekt. Meestal hebben de mannetjes een of twee beste maatjes waarmee ze jarenlang optrekken. Ze maken onder andere samen vrouwtjes het hof door een symmetrisch waterballet voor haar op te voeren.

Maar is dat echte vriendschap, zit er niet vaak een eigenbelang achter verborgen? Natuurlijk; vaak wel. Maar is het bij mensen dan anders?

3 Dieren hebben ook cultuur

Meestal wordt gedacht dat alleen mensen over cultuur beschikken, maar er zijn bijvoorbeeld twee chimpanseesamenlevingen in Tanzania die vele verschillende culturele gewoontes hebben. De chimps in het Mahale Nationaal Park likken graag aan rotsen langs de rand van een meer en aan het oude hout van fruitbomen. In Gombe Nationaal Park zijn dezelfde fruitbomen en rotsen te vinden, maar de mensapen daar hebben deze gewoonten niet.

Ook uniek voor de Mahale-samenleving is dat stoere mannetjes stenen in het water gooien, wat een indrukwekkende plons geeft. Mahale-chimps spelen als enige met stapels droge bladeren, en bovendien beoefenen ze de wereldberoemde hand-clasp: daarbij steken twee chimpansees elk een hand hoog in de lucht en grijpen die van de ander vast, terwijl ze elkaar met de vrije hand vlooien.

Waarom de Mahale-chimps dat alles doen en hun soortgenoten in Gombe niet? Dat is nu precies wat cultuur inhoudt: de gewoonten, rituelen, kennis en techniek die de leden van een samenleving zich hebben eigen gemaakt. Met andere woorden, al het gedrag dat niet genetisch overgeërfd is, maar door iemand wordt begonnen en door anderen wordt geïmiteerd en aangeleerd. Dat is waarom westerlingen met mes en vork eten, en Aziaten met stokjes; waarom wij elkaar de hand schudden en Japanners naar elkaar buigen.

Het gebruik van sponzen door een groep Australische tuimelaars is een ander voorbeeld van dierencultuur. Een dolfijn ontdekte dat hij veel vis kon vangen als hij een spons om zijn snuit schoof en daarmee in de zeebodem wroette. Nu leren alle dolfijnenmoeders uit die groep deze techniek aan hun kinderen.

Nieuw gedrag wordt vaak een culturele gewoonte als het succes oplevert bij het andere geslacht. Zo zingen spreeuwen in verschillende streken in verschillende dialecten. De Groningse vrouwtjes zijn namelijk gecharmeerd van een ander repertoire dan de Limburgse.

4 Dieren hebben ook normen en waarden

Veel dieren hebben een gevoel voor wederkerigheid in relaties. Het als-jij-mij-helpt-dan-help-ik-jou-principe is belangrijk, vooral voor dieren die in groepsverband leven. Dieren moeten dus kunnen onthouden wie een smetteloze reputatie heeft en wie niet. Vaak wordt gedacht dat alleen mensen onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad, tussen recht en onrecht, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ook vliegenvangers (een kleine vogelsoort) onthouden wie in het verleden wel of niet heeft geholpen met het afweren van roofvogels, zelfs als de aanval niet op hen persoonlijk was gericht. Dat is vergelijkbaar met de morele verontwaardiging die we voelen als we horen hoe iemand een vriend heeft laten stikken toen die hulp nodig had. Zoiets doe je niet!

Je gedragen ‘zoals het hoort’, is niet uniek voor mensen, zoogdieren en vogels. Zelfs insecten weten zich hoffelijk te gedragen, vooral als er liefde in het spel is. Uit recent onderzoek blijkt dat mannelijke krekels vrouwtjes voor laten gaan als ze een holletje in willen vluchten voor roofdieren. Als echte gentleman offert hij zijn eigen veiligheid op voor de hare. Ook hier geldt echter het principe van de wederkerigheid: als het mannetje blijft leven, mag hij langer bij het vrouwtje blijven en wordt hij beloond met meer kindjes. Dat is natuurlijk ook de reden waarom mensenmannen zich hoffelijk gedragen: het geeft hun een streepje voor bij de vrouwen.

Kortom: ook dieren bezitten eigenschappen en vaardigheden waarvan we doorgaans aannemen dat die uniek menselijk zijn. Soms zijn het de grondbeginselen van de menselijke vorm, soms is het een andere maar niet per se mindere vorm. Hoe dan ook toont het aan dat het antropocentrisme achterhaald is; het wereldbeeld waarin de mens het middelpunt is en de norm van het bestaan.

De mens mag dan relatief het grootste brein van alle dieren hebben, maar betekent dit dat dieren wezenlijk anders, of zelfs minder, zijn dan wij? Oké, zij kunnen geen machines bouwen waarmee ze naar de maan vliegen en niet filosoferen over het ontstaan van de aarde. ‘Lekker belangrijk,’ zou een Australische lier-vogel kunnen denken. Hij kan honderden geluiden imiteren die hij ooit eens gehoord heeft, van kettingzagen tot geweerschoten, van sirenes tot andere vogeltjes. Dat is waar hij succes mee boekt.

Ieder dier heeft de vaardigheden en kwaliteiten ontwikkeld die hij nodig had om te overleven en zich voort te planten. Vergelijkingen maken tussen diersoorten heeft dus niet zoveel zin. Elke diersoort die nu bestaat – inclusief de mens – is de optimale versie van zichzelf. Alle versies die niet goed genoeg waren, zijn in de loop van de evolutie uitgestorven. Voor een krokodil voegt het weinig toe om staartdelingen te maken of achter de computer te zitten. Hij is de efficiëntste moordmachine op aarde. Zó succesvol dat hij al sinds de tijd van de dinosauriërs amper meer heeft hoeven evolueren. Dat grote brein van ons heeft een krokodil niet eens nodig.

Alle dieren op aarde stammen af van een gemeenschappelijke eencellige voorouder die miljarden jaren geleden leefde. De mens is simpelweg een van de vele varianten die de natuur heeft voortgebracht. Ieder dier is dus in de verre verte onze familie – zelfs de platworm en het gordeldier.[/wpgpremiumcontent]