‘Maar mevrouw, ze heeft heus een zachte dood gehad.’ Met deze woorden worden Simone de Beauvoir en haar zuster door een verpleegster gerustgesteld wanneer hun moeder aan darmkanker is overleden. Na een maand van uitmergeling, doorligpijn, mislukte infusen en een terughoudend morfinebeleid is dat een geruststelling die te denken geeft. Als dit een zachte dood was, hoe erg had het dan kunnen zijn? En vooral: hoe erg moet het zijn? Hoe zinvol was de zware operatie die hun 78-jarige moeder vlak voor haar dood onderging? Te redden was er immers niets meer, alleen maar te rekken. Waren de dertig gewonnen dagen de belastende medische ingrepen waard geweest, of had beter van meet af aan voor afdoende pijnbestrijding kunnen worden gekozen? En waarom waren zij, als naaste familie van de patiënt, in de beslissingen daarover nauwelijks gekend?

Simone de Beauvoir wordt bij de dood van haar moeder bestormd door twijfels, waarover ze in 1964 het prachtige boek schreef dat recent in een nieuwe vertaling verscheen onder de titel Een zachte dood. In de tijd dat De Beauvoir haar boek schreef, was een paternalistisch optreden van artsen vanzelfsprekend, evenals hun handenwrijvende trots wanneer er dankzij een vernuftige medische ingreep weer een dagje was gewonnen. De voorzichtige protesten van de dochters De Beauvoir worden door de arts dan ook weggewuifd met een ‘ik doe wat ik moet doen’.

Sinds 1964 zijn in deze houding veranderingen opgetreden. Artsen hebben leren luisteren, patiënten krijgen alternatieven voorgelegd, en met het toedienen van morfine als een indirecte vorm van euthanasie, doen de meeste artsen hun geweten nauwelijks nog geweld aan. Toch zijn de dilemma’s die in Een zachte dood worden beschreven, onverminderd actueel. Het blijft in de laatste fase van het leven schipperen tussen wat medisch haalbaar is en wat door de patiënt nog als een acceptabele kwaliteit van leven wordt ervaren. Alleen schipperen arts en patiënt tegenwoordig in overleg.

Wat het uitzetten van een eenduidige koers bemoeilijkt, is dat in het aangezicht van de dood vanzelfsprekendheden gaan schuiven en grenzen worden verlegd. De Beauvoirs overtuiging dat ze ogenblikkelijk zou ingrijpen als ze ooit het uitzichtloze lijden van een naaste zou meemaken, verkruimelt onder het gewicht van de toevallige omstandigheden. Het enige moment waarop ze redelijkerwijs had kunnen ingrijpen, was het moment dat haar moeder, nog voor haar operatie, gereanimeerd werd.

En daar was ze niet bij. Haar overtuiging dat de operatie alleen maar een verlenging van zinloos lijden oplevert, wankelt onder de ervaring dat die tijd noch voor haar moeder, noch voor haarzelf zo zinloos is. Haar moeder blijkt, ondanks de pijn en de angst, ieder moment dat ze leeft, te koesteren. Simone heeft in de dertig gewonnen dagen iets goed kunnen maken van de in kilte vastgelopen relatie met haar moeder, en zichzelf zo voor wroeging behoed. Het ernstigst schipbreuk, ten slotte, lijdt haar overtuiging dat het minder eenzaam, minder erg is om dood te gaan wanneer je pakweg boven de zeventig bent. Alle mensen zijn sterfelijk, aldus De Beauvoir, ‘maar voor ieder mens is zijn eigen dood een ongeval, en zelfs als hij het weet en er niet tegen protesteert, een ongehoorde daad van geweld’.

Een zachte dood, Simone de Beauvoir, Amsterdam: Ambo, € 12,50[/wpgpremiumcontent]