Op je 38ste nog van werkgever veranderen, dat schijnt binnen de journalistiek iets bijzonders te zijn. Eigenlijk had Psychologie Magazine mijn sollicitatiebrief afgelopen zomer meteen moeten doorsturen naar het Persmuseum. Gelukkig hebben ze me aangenomen, maar die ­reactie van confraters elders in de branche heeft me aan het denken gezet. Ligt mijn toekomst wel in de journalistiek?

Ik veer dan ook op als ik op internet Jan den Breejen tegenkom. Deze p&o-adviseur en opleidingsmanager bij ISBW belooft dat hij via een wetenschappelijk verantwoorde batterij vragenlijsten, samengebracht onder de noemer De reis naar jezelf, kan achterhalen welk werk écht bij me past. Zijn uitgangspunt: je karakter is iets waaraan maar beperkt gesleuteld kan worden. Alleen een baan die goed aansluit bij je dominante karaktereigenschappen of ‘personae’, biedt dus carrière­perspectief. Veertien personae zijn er, stelt Den Breejen in navolging van de Amerikaanse psycholoog Ted Millon, en bij de meeste mensen springen er twee of drie echt uit.

Meteen een afspraak gemaakt met Den Breejen. En dan slaat de schrik toe: ik krijg een lijst van 107 vragen toegemaild. Niet alleen door mijzelf in te vullen, maar ook door zeven intimi. O jee, wie vertrouw ik zoiets gevoeligs toe? Vooruit, manlief laat zich vast wel lijmen met zijn favoriete taart en ook van Eveline, met wie ik in Frankrijk ooit zes maanden een kamer deelde zonder bloedvergieten, verwacht ik een wel­willend oordeel. Dan nog wat oude studievrienden, en oké, voor het pittige perspec­tief nog mijn zus (hoewel ik in haar brein nog altijd als onmogelijke puber geprent sta), plus Sanderijn, al bekvechten hij en ik elkaar geregeld de kroeg uit. Ik weet nu al dat hij me hoog gaat scoren op stelling 83: ‘De mensen zeggen wel eens dat ik nogal snel op de kast zit.’

Twee weken later is het opnieuw schrikken. Bijna ál mijn intimi vinden dat ik snel op de kast zit! Gelukkig weet Den Breejen daar een mooie draai aan te geven. Mijn opvliegendheid klinkt meteen verantwoord als hij die ‘de Femke Halsema-factor’ noemt: ‘Zij kan ook zo’n heilige verontwaardiging vertonen. Bij jou komt die deels voort uit je consciëntieuze persona. Je stelt hoge eisen, aan jezelf maar ook aan anderen. Dat kan maken dat je soms moralistisch overkomt.’

De consciëntieuze persona is dus als mijn dominante basisstijl uit het onderzoek naar voren gekomen. Nadat ik ter plekke nog eens twee vragenlijsten heb doorgewerkt, verschijnt er op Den Breejens laptopscherm een grafiek waarin alle antwoorden zijn samengevoegd, en die vertoont daar een forse piek. Ik ben dus zowel volgens mezelf als volgens anderen een harde werkster en een Pietje precies. Natuurlijk heeft dat ook zijn nadelen. Zo kan ik rigide zijn en zal ik mij niet snel op onbekend terrein wagen. Inderdaad – alleen al om die reden hoop ik dat vandaag niet blijkt dat ik eigenlijk in de sales moet wezen.

Verder scoor ik bovengemiddeld op de waakzame persona – sceptisch, onafhankelijk denkend: ‘goede eigenschappen voor een journaliste’, meent Den Breejen – en zweeft er nog een tweede piekje boven de theatrale persona. Hè? Ik? Den Breejen lacht: ‘Daar hoef je geen Paris Hilton voor te zijn. Theatrale persoonlijkheden zijn communicatief sterk en begrijpen wat een ander nodig heeft om hen te kunnen volgen. Dus ook wat dat betreft zit jij in jouw beroep wel goed.’

Tot slot krijg ik de anonieme antwoorden van mijn zeven intimi te zien. Ik zie dat iedereen ‘ja’ heeft aangevinkt bij de stelling dat ik ‘een goed georganiseerd persoon’ ben die zich ‘graag aan planningen’ houdt. ‘Dat is jouw unique selling point,’ zegt Den Breejen. Ik blijk er nóg een te hebben: iedereen vindt me een flirt! ‘Jij kunt je interviewpartners dus allerlei mooie uitspraken ontlokken en daar vervolgens, prachtig binnen de deadline, een goed gecheckt, kritisch artikel over schrijven,’ houdt Den Breejen mij voor.

Kortom, niks aan de hand. Het Persmuseum kan wachten; mijn journalistieke carrière is nog maar net begonnen.[/wpgpremiumcontent]