Wie ben je?

‘Ik ben een overdreven type, ik heb iets ongeremds. Mijn vader was precies zo. Gewoon een huilebalk. Als ik iets mooi vind, vind ik het zóóóó mooi. En als ik iets slecht vind, vind ik het zóóóó slecht. Een beetje hyper ben ik, soms. En ongeduldig. Ik kan niet de hele dag rustig intelligente dingen gaan zitten bedenken zoals Connie Palmen dat kan. Ik ben geen Licht, geen creatieve denker. Ik ben een reageerder, een schooljuf die goed iets kan doorvertellen. Ik begrijp het als mensen mij dom vinden, want dat vind ik zelf soms ook. Ik wil te veel, ik verveel me gauw. Mijn gedachten schieten te veel kanten uit.

Echte schrijvers hebben een ongelooflijke drang om te schrijven. Ik niet. Ik heb juist een ontzettende drang om mensen mijn ding te laten lézen, ze ervan te laten genieten. Regel nummer 1 bij mij is dat het NOOIT SAAI mag worden. Wat ik te geef heb aan de wereld is Vermaak, met een sausje Boodschap. Van mijn boek Doorzakken bij Jamin zijn er 80.000 verkocht en dat doet me niks, omdat ik weet waar het door komt. Het is een gouden mix: ik ben een bekend gezicht, het gaat over dik zijn en dat spreekt veel mensen aan, en het is best leuk opgeschreven. Meer is het echt niet. Bij mijn uitgeverij waren ze woedend op de Volkskrant toen daar een negatieve recensie over mijn nieuwe boek Dikke Dame in stond. Maar ik begreep die kritiek wel, al blijf ik vinden dat het boek een dappere poging van mij is geweest iets diepers uit mezelf te halen.

Mijn leven zou je het best kunnen kenschetsen als heen en weer zwalken tussen tevredenheid en ontevredenheid. Ik leef nu precies zoals ik wil. Alleen, soms bekruipt mij zo’n bakvissengevoel dat het prettig zou zijn als ik Die Ene had die mij gerust kon stellen. Iemand die op mijn zwakke momenten tegen me zou zeggen dat ik er heus wel mag zijn. Iemand die door dik en dun van mij zou houden. Soms kan ik hangerig zijn, slachtoffer van mijn eigen stemming. Dan zit ik te kniezen: ik woon wél alleen, hier in m’n grote huis. Ontzettend zonde: zo’n leuk, mooi, groot huis en ik deel het met niemand. Aan de andere kant: had ik liever zo’n sloom cda-gezin gehad dan in mijn eentje een kind opvoeden, met alle stress die daarbij kwam? Nee, dat toch ook weer niet.

Waar ik uiteindelijk voor leef, is, denk ik, bestaansrecht. Ik wil Er Mogen Zijn. Tante Cor, mijn onderduikmoeder, heeft mij dat gevoel niet kunnen geven. Zij heeft uit plichtsbesef, en omdat de dominee het zei, mij als joods kind in huis genomen. In haar aanbiddelijke eenvoud zegt ze: ‘Je moest joden helpen, dat dééd je.’ Met levensgevaar hebben zij en haar man de goede kant gekozen, maar niet omdat ze mij zag en dacht: “Dát kind wil ik hebben!” Ook mijn ouders hebben mij dat gevoel nooit echt kunnen geven. Toen ik twee was, hebben ze mij toch weggedaan, ook al was het dan vanwege de oorlog. Ik heb altijd het gevoel gehouden dat ik er niet bij hoorde, thuis. Mijn familie vond mij eigenaardig. Ik was geen gehoorzame, gelukkige dochter. Mijn hele jeugd was ik bozig, een beetje anti. Misschien is dat een reactie op de oorlogstijd geweest. Na de oorlog werd mijn broertje Ruud geboren. Hij was het godsgeschenk: een beeldig blond krullenjongetje. Er werd de hele tijd ontzettend van Ruud gehouden. Van mij ook, maar anders, afstandelijker. Uit jaloezie heb ik hem wel eens laten verdwalen in de stad. Moesten mijn ouders hem later van het politiebureau halen. Misschien heb ik me mijn hele leven wel zo in de kijker gespeeld en ben ik zo verongelijkt geworden omdat ik aandacht wilde: “Hallo, ik ben er ook nog hoor!”

Het gekke is dat ik een mengseltje ben van dwarsheid en aangepastheid, en dat mijn zucht naar aandacht gepaard gaat met een groot gevoel van schaamte. Ik schaam me al als ik op de fiets door de stad ga: kijk, daar gaat een oude dikke dame! Als onderduikkind steek je je benen onder tafel bij vreemden. Dat gevoel dat je je zelfs schaamt over dat je bestáát, heb ik nog steeds. Het zit diep.

Toen ik mijn eigen tv-programma kreeg, schaamde ik me ook ontzettend voor mezelf, maar ik wilde het per se overwinnen. De aandacht die het opleverde, was verrukkelijk. Ik ben daar echt gelukkiger van geworden. Beroemdheid is een warme douche, het is verslavend. Daarom vond ik het ook zo moeilijk toen ik na acht jaar weer afgeserveerd werd. Ik zit nu een enorme televisiepersoonlijkheid te wezen in m’n eigen keuken. Iedereen op straat denkt dat ik ’s middags om vijf uur op tv ben, ik word nog overal herkend. Ik ben bang dat ze op een dag doorkrijgen dat ik allang niet meer op tv kom.’

Waar geloof je in?

‘In overleven. Oké, ik heb óók momenten dat het me heerlijk lijkt om er niet meer te zijn. Doodgaan: ik zou het helemaal niet erg vinden. Maar uiteindelijk wil ik toch het liefst opkrabbelen. Ik heb me vroeger wel eens zo gestrest of alleen gevoeld dat ik dood wilde, maar daar ben ik altijd weer overheen gekomen. Overleven doe je door niet te gaan zitten hunkeren naar iets wat je toch niet kunt krijgen, daar heb je jezelf alleen maar mee.’

Wat was een keerpunt?

‘Toen ik Paul de Leeuw leerde kennen, jaren geleden. Dat werd een soort van liefdesaffaire zonder seks. Ik kende Paul nog maar net en ging met een vriendin op vakantie in een huisje in Frankrijk. Hij stelde voor om langs te komen. Ik dacht: die komt een dagje. Maar hij wilde juist de hele vakantie samen doorbrengen. Kwam-ie aanzetten in een ongelooflijk grote auto met een enorme hoeveelheid spullen: slaapzakken, cd-spelers, recorders, een accordeon. Als mensen te dicht bij me ­komen, krijg ik de neiging om ze weg te jagen, dus ik riep: “Ik zeg de vriendschap op!” Het werd een legendarisch gesprek op een rots aan een rivier, waar Paul en ik het nog vaak over hebben. Hij zei: “Het opzeggen van een vriendschap gaat zomaar niet, dat moet van twee kanten komen. Ik ga gewoon niet, ik laat me niet wegsturen.” Paul deed precies wat ik nodig heb. Eindelijk was er iemand in mijn leven die zei: “Ik blijf.”’

Wat zou je willen veranderen?

‘Mijn gewicht. Ik heb het altijd erg gevonden dat ik zo dik ben. Hoe vaak ben ik niet huilend van een feestje naar huis gerend omdat iemand zei: “Goh, ben je zwanger?” of: “Wat ben je dik geworden, zeg!” Als ze dat soort dingen tegen me zeggen, ontstaat er totale kortsluiting in mijn hoofd.

Al op jonge leeftijd ben ik begonnen met diëten en die zijn allemaal mislukt, omdat op dieet gaan iets volstrekt onnatuurlijks is. Je lichaam vraagt gewoon af en toe om iets lekkers, om een boterham met kaas, je wilt iets in je maag. Wie met diëten begint, wordt uiteindelijk alleen maar dikker; je raakt verstrikt in de jojo-val.

Eten is altijd een obsessie voor me geweest. Ik was voortdurend met eten bezig, bang voor honger, dat lege gevoel. Continu liep een geluidsband in mijn hoofd mee: “Dit mag je wel, dat mag je niet, waarom nam je nou die boter, mag je misschien een halve stroopwafel als je straks helemaal niks neemt?”

Dit hele gedoe is nu in één klap weg. Ik heb onlangs in België mijn maag laten verkleinen. Het voelt als een enorme verlossing, een bevrijding, het grootste geluk dat er is. Ik eet nu slechts drie lepels yoghurt als ontbijt, bij de lunch één rijstwafel, ’s avonds een kopje soep, dan zit ik vol, en verder denk ik totaal niet meer aan eten. De kilo’s vliegen er af, ik ben al 11 kilo lichter. Er moet nog 26 kilo af, dan ben ik tevreden.

Als je zo dik bent als ik, wordt je zelfvertrouwen er niet groter op. Maar als ik straks 70 kilo ben, ben ik heus niet opeens gelukkig. Het is één probleem minder. De operatie heb ik vooral gedaan om prettig en vitaal oud te worden.’

Hoe vind je het om ouder te worden?

‘Verrukkelijk. Ik ben 66, maar daar voel ik niks bij. Ik maak me nog over van alles boos. Da’s een teken van optimisme en levenslust, want als je zou denken: “Laat maar gaan”, dan leef je niet echt meer. Ik ben wel rustiger geworden. Ik kán nu tevreden alleen thuis zijn. Dat had ik dertig jaar geleden niet, toen ging ik daarvoor naar de psychiater. Nu geniet ik: ’s nachts om drie uur zit ik hier nog te lezen, tv te kijken, te webloggen. Heerlijk.’

Wat heb je geleerd van de liefde?

‘Dat ik slecht om kan gaan met het gegeven “intimiteit” en met het gegeven “man”. Mannen kunnen ook slecht met mij overweg, ze snappen me niet, vinden mij te kattig en bijdehand; ik schijn te harde grappen te maken, ook al heb ik dat zelf niet door. Bij vrouwen ben ik populairder. Was ik maar lesbisch! Ik ben wel eens een relatie met een vrouw begonnen, maar ik vond er niks aan; het boeide me seksueel totaal niet.

Al een paar jaar heb ik geen liefdesrelatie met een man meer gehad; mijn affectie gaat nu helemaal uit naar kinderen, naar ménsen. Nu ik richting 70 ga, verlang ik ook niet meer zo naar seks. Ik ken wel mensen die op mijn leeftijd nog daten, maar ik word al misselijk bij het idee dat ik hier op de bank met mijn date zit te praten, met in mijn achterhoofd het idee dat ik straks met hem naar bed moet. Brr! Ik heb ook nooit zomaar seksuele lust spontaan in m’n eentje. Misschien dat eten altijd mijn substituut voor seks is geweest? Dan zat ik ’s avonds perfect gelukkig in huis en at ik er een boterham met stroop bij. Hoe moet dat nou verder, hè, met die kleine maag…

In de liefde kan ik slecht maat houden, denk ik. Ik ga voor het allerhoogste: dat het leven van de ander zonder mij niet eens een schaduw is van het leven dat hij mét mij heeft. Dat is een te grote belasting voor een partner; het is beter als ik mijn hunkering naar liefde niet tot de verschrikking van iemand anders maak.

Ik heb hierin veel geleerd van mijn zoon Gijs. Achteraf gezien heb ik hem te veel belast met mijn liefde. Ik zag ons te veel als twee-eenheid; als ik ergens mee zat, ging ik altijd te rade bij Gijs. Uiteindelijk heeft hij zich hardhandig losgerukt. Dat deed pijn, maar het was ook heilzaam. Enige afstand was gewoon nodig. Ik hou onvoorwaardelijk van hem, hij is een lieve man, maar ik zit niet meer met al mijn vezels aan hem vast. Toch is het nog steeds oppassen geblazen: ik wil mijn twee kleinkinderen te veel cadeaus geven, ze te veel verwennen. Voor je het weet druk ik die ook dood.

At the end of the day zijn poezen m’n troostmeisjes. Voor mij is het belangrijker dan wie ook weet dat ik hier met mijn twee poezen leef. Het is natuurlijk gewoon speelgoed, je projecteert er van alles op. Maar wie thuiskomt bij poezen, denkt: “Goh, ik ben toch niet alleen.” Het voelt bijna als een liefdesrelatie. Het is eigenlijk te ­gênant voor woorden: zo’n ouwe vrouw met twee van die poezen. Niet zo lang geleden heb ik een poes moeten begraven. Hij ging langzaam dood, werd steeds magerder en zwakker. Ik kon merken dat hij afscheid van me aan het nemen was, heel magisch. Het was hartverscheurend. Maar toen hij er niet meer was, heb ik wel weer gewoon een nieuwe genomen.’ n[/wpgpremiumcontent]