Verliefde mensen doen rare dingen. Ze willen elkaars hand vasthouden. De hele dag samen zijn. Ze vormen een stelletje. Als alles goed gaat, gaan ze samen in een huis wonen en slapen ze elke nacht in een tweepersoonsbed. Vaak beloven ze elkaar zelfs eeuwige trouw. Ze houden een ritueel en doen elkaar een ring om. Alle vrienden en bekenden zijn erbij, want ze willen dat iedereen weet: wij horen bij elkaar! Toch gaat het heel vaak mis. Niet zelden omdat er een ander is. Seks met een ander mag namelijk niet. En verliefd worden op een ander is minstens zo erg.

Waarom eigenlijk? Andere dieren pakken het heel anders aan in relaties. Haringen, bijvoorbeeld, beloven elkaar helemaal niets. Ze storten zich het liefst in orgiën van anonieme seks. No strings attached. En bij de naakte molratten doet bijna niemand het: alleen de koningin heeft een paar vaste minnaars, de rest is aseksueel. Maar ook dieren die nauw aan ons verwant zijn, hebben heel andere gewoontes. Een gorilla houdt er bijvoorbeeld meerdere vrouwen op na, en bij de bonobo’s doet iedereen het met iedereen – even goede vrienden.

De mens lijkt in zijn gedrag misschien nog het meest op een vogel. 90 Procent van de vogels gaat namelijk monogame relaties aan. Van alle zoogdieren houdt slechts 3 procent het bij één partner. Waarom wil de mens zo graag monogaam zijn? En waarom lukt het toch vaak niet om het te blijven?

Verschillende belangen

In de natuur draait eigenlijk alles om voortplanting. Dat instinct is zelfs sterker dan het eigen overlevingsinstinct. Kijk maar naar het mannetje van de zwarte weduwe, dat zich door het vrouwtje laat oppeuzelen tijdens het liefdesspel. Dom? Nee, hij denkt maar aan één ding: zijn kans op nakomelingen. Het bevruchte vrouwtje (en dus zijn nageslacht) profiteert van de voedzame maaltijd. Bovendien wijst ze na een kannibalistische paring twee van de drie volgende mannetjes af.

Ieder organisme is erop gericht zoveel mogelijk nakomelingen groot te brengen. Om dat te bereiken, zoekt elk individu naar de optimale strategie. Er komen daardoor allerlei soorten zogenoemde paarbanden voor in de dieren­wereld: monogamie (één man, één vrouw), polygynie (één man, meerdere vrouwtjes), polyandrie (één vrouw, meerdere mannetjes), polygynandrie (mannetjes en vrouwtjes hebben allebei meerdere partners) en promiscuïteit (iedereen kan het openlijk met iedereen doen, er zijn geen vaste paarbanden).

Welke samenlevingsvorm gekozen wordt, is een compromis van de verschillende – vaak tegenstrijdige – individuele belangen. Voor een vrouw zou het in theorie het gunstigste zijn om meerdere mannetjes voor zich alleen te hebben, maar voor een mannetje is het precies andersom. Monogamie kan een compromis zijn waarin beide partijen zich kunnen vinden.

Naarmate de nakomelingen meer zorg nodig hebben van beide ouders, wordt de kans op een monogame relatie groter. Bij nestvlieders, dieren die snel na de geboorte zelfstandig zijn, is er weinig kans op monogame paarbanden. Waarom zouden beide ouders nog bij elkaar blijven? Dat zou alleen maar ten koste gaan van hun kans op nog meer nageslacht. Vogels met hun hulpeloze jongen daarentegen zijn meestal monogaam. De vaders helpen vaak bij het broeden, of halen voedsel terwijl het vrouwtje op het nest blijft.

Bij bijvoorbeeld de keizerpinguïn legt moeder het ei, waarna vader het broeden voor zijn rekening neemt. Hij zit zestig tot zeventig dagen in de vrieskou met het ei op zijn poten, verliest de helft van zijn lichaamsgewicht, terwijl moeders zich intussen in zee te goed doet aan een overvloed aan vis. Pas als het ei uitkomt, keert ze terug en kan pa gaan eten. Samen vormen ze een harmonieus gezin. Als de samenwerking goed verloopt, herhalen ze dit het volgende seizoen, en hebben ze vaak hun leven lang een geëmancipeerd huwelijk.

Bij zoogdieren ligt het iets anders. Veel zoogdieren zijn nestvlieders: alle hoefdieren, bijvoorbeeld. Bij nestblijvers, zoals katten en konijnen, kan de moeder de zorg goed alleen aan. Monogamie ligt bij zoogdieren dus minder voor de hand. Polygynie is hier dan ook de meest voorkomende relatievorm. Leeuwen, zeehonden, gorilla’s, edelherten: allemaal hebben ze meerdere vrouwtjes tot hun beschikking.

Strijd tussen de seksen

De Amerikaanse evolutiebioloog Robert ­Trivers ontwikkelde in de jaren zeventig van de vorige eeuw de theorie van de ouderlijke investering. De beide seksen hebben er volgens deze theorie belang bij zo veel mogelijk kinderen groot te brengen met zo weinig mogelijk investeringen. Het is dus zaak om te zorgen dat de ander veel investeert, zodat jij energie en tijd overhoudt om nog meer nakomelingen te produceren. ‘Ook in monogame relaties zal er altijd een seksueel conflict zijn,’ meende Trivers. ‘Beide partners zijn er namelijk op geselecteerd om de ander te exploiteren voor hun eigen egoïstische belangen.’

Deze strijd tussen de seksen begint bij veel beesten al met een fundamentele ongelijkheid. Mannetjes hebben meestal een onbeperkte hoeveelheid zaadcellen en kunnen dus in principe een onbeperkt aantal kinderen krijgen – als ze maar genoeg seks kunnen krijgen met vrouwtjes. Een vrouwtje heeft maar een beperkt aantal eicellen. En steekt sowieso meer tijd en energie in het dragen en produceren van het ei, en bij zoogdieren komen daar ook nog eens zwangerschap en borstvoeding bij. Het vrouwtje is voor haar reproductieve succes daarom afhankelijk van de mate waarin zij toegang krijgt tot materiële en immateriële zorg van de man.

Uitslovers

Volgens Trivers zullen vrouwen alles doen om die investeringskloof te dichten. Ze eisen bewijzen dat het mannetje bereid is ook veel te investeren, en ze laten de mannetjes onderling concurreren. Zo zie je bij veel diersoorten een periode van hofmakerij, waarin het wijfje het mannetje nog geen seks geeft, en hij zich ontzettend moet uitsloven. Ze wil de beste genen voor haar kostbare eitjes en zoekt daarom naar bewijzen van overlevingskracht. Of ze vraagt investeringen in de vorm van voedsel of cadeaus. Zij oefent macht uit door zich kieskeurig en afwachtend op te stellen. De mannetjes zullen op hun beurt met elkaar wedijveren en proberen de dames te overtuigen van hun rijkdom, zorgzaamheid of fysieke kracht – om na de paring vaak vrolijk weer op de versiertoer te gaan en hun kansen te beproeven bij de volgende.

Geen wonder dat bij veel dieren de mannetjes veel groter en kleurrijker zijn dan de vrouwtjes. Seksuele selectie zorgde er in de loop van de evolutie voor dat alleen de grootste, sterkste, meest imponerende mannetjes met een vrouwtje mochten paren. Dat leidt soms tot excessen: denk maar aan de hysterische pauwenstaart, die erg onpraktisch is bij het voortbewegen, maar het wel waanzinnig goed deed bij de hennetjes.

De uitslovers hoeven overigens niet altijd de mannetjes te zijn. Het is de rolverdeling in de zorg voor het nageslacht die bepaalt wie er het opvallendst uitziet. Bij de jacana, een tropische moerasvogel, heeft een vrouwtje meerdere mannetjes die de eieren uitbroeden. Het jacana-vrouwtje is dan ook groter, kleurrijker en agressiever dan het mannetje. Zij bewaakt het territorium en komt toesnellen als de heren angstkreten slaken.

Die rolverdeling in de zorg bepaalt ook of een soort monogaam is of niet. Hoe zwaarder de broedzorg, des te succesvoller zijn een-op-eenrelaties waarin beide ouders de taken verdelen. Daarom is het verschil in grootte, agressiviteit of kleur tussen de seksen een goede voorspeller voor de mate van monogamie van een soort. Hoe gelijkwaardiger de zorg verdeeld is over de seksen, hoe monogamer de soort en hoe meer mannetjes en vrouwtjes op elkaar zullen lijken. ‘In een polygiene soort delen meerdere vrouwtjes één mannetje, waardoor een hoop mannetjes alleen blijven,’ legt bioloog Paul van Dongen uit. ‘Het is voor de mannetjes dus heel belangrijk om groot en sterk te zijn en een groot territorium te hebben. De vrouwtjes selecteren daarop om de beste plaats voor hun jongen te krijgen. Bij monogame soorten is die druk minder groot. Als er een-op-eenrelaties zijn, blijft er altijd wel een vrouwtje over, ook voor een kleiner, minder agressief mannetje.’

Bij monogame dieren ligt de nadruk meer op hofmakerij in de vorm van bewijzen van zorgzaamheid en trouw, terwijl bij polygiene soorten (zoals de meeste mensapen) de mannetjes het vooral in een onderlinge krachtmeting uitvechten. Gorilla’s hebben een harem, en de zilverrug is stukken groter dan de wijfjes. Bij mensen is het lengteverschil tussen de seksen veel kleiner – maar het is er wel. Bewijst dat nu dat we van nature monogaam zijn of niet?

Stiekem overspel

Verreweg de meeste mensen hebben een monogame relatie. Ook in culturen waarin alles mag, zoals bij het Kaingangvolk uit Brazilië, komt zestig procent van de mensen in een monogaam paar terecht. Dat is dus blijkbaar het compromis waar man en vrouw allebei de meeste voordelen van hebben. Polygynie lijkt echter ook een ­natuurlijke samenlevingsvorm voor de mens: in het overgrote merendeel van de niet-westerse culturen wordt het toegestaan. Ook voor vrouwen kan polygynie trouwens een goede keus zijn; beter een rijke, machtige man delen dan een sukkel voor jezelf alleen.

Mensenbaby’s zijn vergeleken met bijvoorbeeld apenbaby’s erg hulpeloos en vereisen gedurende een aantal jaren intensieve zorg. Dat is waarschijnlijk de voornaamste reden dat de mens monogame relaties aangaat. Toch is ontrouw een moeilijk uit te roeien neiging. Zelfs in landen waar de doodstraf staat op vreemdgaan, gebeurt het. Waarom kunnen we het zo moeilijk bij één partner houden?

‘Je moet monogamie niet verwarren met trouw,’ zegt bioloog Paul van Dongen. ‘In de biologie noemen we een individu monogaam als hij tegenover de omgeving duidelijk maakt dat hij bij een partner hoort, en zijn seksuele activiteiten grotendeels beperkt tot die partner. Trouw is een individu dat uitsluitend seks heeft met die partner.’ Belangrijk is dus hoe het er voor de buitenwereld uitziet. Vogels bouwen bijvoorbeeld vaak samen een nest. Voor alle buren een duidelijk signaal: die horen bij elkaar. De beide partners weten ook dat er monogamie van hen wordt verlangd. Daarom gebeurt overspel stiekem. Zelfs in de dierenwereld.

Een superman erbij

Bij de ogenschijnlijk monogame rietgors is vreemdgaan aan de orde van de dag, ontdekte onderzoeker Karen Bouwman van de Rijks­universiteit Groningen in april van dit jaar. Met name de vrouwtjes maakten regelmatig een slippertje, vooral met een aantrekkelijke buurman. Vier van de vijf vrouwtjes krijgt elk jaar ten minste één buitenechtelijk jong. Meer dan de helft van alle rietgorsjongen bleek niet het kind van de officiële partner. Eerder ontdekte een Vlaamse wetenschapper al dat ook pimpelmeesvrouwtjes regelmatig een scheve schaats rijden, vooral met oudere, grotere mannetjes dan hun eigen partner. In de vroege ochtenduren, als de mannetjes in de boomtoppen zitten te fluiten, gaan de dames op zoek naar een aantrekkelijke minnaar.

Het lijkt erop dat veel vrouwtjesdieren kiezen voor de combinatie van de ‘domestic bliss-­strategie’ en de ‘He-Man-strategie’: de voordelen van het huwelijk, met af en toe een superman erbij voor een genetisch gevarieerder en sterker nageslacht. Ook voor de man levert het vaak het meeste op om een huwelijk aan te gaan, en in de marge wat ‘bij te klussen’. Levenslange echtelijke trouw is daarom in de dierenwereld eerder uitzondering dan regel. Biologen maken dan ook vaak onderscheid tussen sociale monogamie en genetische monogamie.

De meest natuurlijke strategie voor de mens, heeft een aantal vooraanstaande evolutiebiologen beredeneerd, is seriële monogamie. Telkens weer voor een aantal jaar een sterke emotionele binding aangaan, kinderen krijgen, en na een jaar of vier – als de kinderen minder zorg nodig hebben – vreemdgaan, scheiden en weer een nieuwe relatie beginnen.

Dat betekent dat er altijd de dreiging is van overspel. En omdat partners die dreiging voelen, zullen ze er alles aan doen om huwelijkse trouw af te dwingen. Een manier om dat te bereiken is simpel: alles samen doen. Dat is de strategie van dwergpapegaaien, niet voor niets ook wel lovebirds genoemd. Ze zitten continu op elkaars lip, en maken overspel daarmee onmogelijk. Maar ook gibbons, een van de weinige levenslang monogame apensoorten, mijden andere stellen en trekken alleen met hun eigen gezin rond. Aan de gezamenlijke duetten van de witwanggibbon schijn je zelfs te kunnen horen hoe het met het huwelijk staat. Hoe harmonieuzer het gezang, hoe beter het huwelijk. Als een van beide doodgaat, sterft na een paar dagen ook het gezang van de ander. Een gibbon zingt alleen mét zijn partner.

Ook de mens probeert zich met zijn rituelen te verzekeren van de trouw van de ander. Sterke gevoelens van jaloezie en verliefdheid helpen daarbij. We willen de enige zijn voor de ander. Maar zelf? Zelf vinden we de buurman of buurvrouw stiekem toch wel erg aantrekkelijk.

Wie bouwt het mooiste liefdesnest?

De competitie tussen mannetjesdieren ontaardt soms in een heuse wapenwedloop. Zo proberen prieelvogelmannetjes de dames te imponeren met architectonische hoogstandjes, waarin ze op kleur geselecteerde decoraties aanbrengen zoals bloemen, schelpen en veertjes. Slechte bouwers krijgen gedurende het paarseizoen helemaal geen seks, terwijl de beste bouwers soms wel tientallen keren kunnen paren. Dus proberen de mannetjes andermans priëlen te vernielen en stelen ze de ornamenten als ze de kans krijgen. Bovendien voeren ze een buitengewoon ingewikkelde dans op, waarbij ze als een dolle door hun prieel rennen, buigingen maken, om hun as tollen en over de grond schrapen.

Behalve dat haar zonen vast goede architecten worden, heeft het vrouwtje uiteindelijk niet veel aan al dat gedoe. Nadat ze bevrucht is, gaat ze naar haar eigen bescheiden nest en zorgt ze helemaal alleen voor haar kroost.

Meer lezen

– De parende geest. Seksuele selectie en de evolutie van het bewustzijn, Geoffrey Miller, Contact, € 32,50

– De eeuwige lokroep. Over seks, sekseverschillen en relaties, Marcel Roele, Contact, € 12,90[/wpgpremiumcontent]