Leraar Vincent stapt in zijn korte broek de kring in en loopt met gebogen rug en slappe armen rond. ‘Wat ben ik nu?’ vraagt hij de groep. ‘Verdrietig,’ roept een jongetje. ‘Verlegen,’ zegt een meisje. Weer een ander: ‘Teleurgesteld.’ ‘En nu?’ zegt Vincent terwijl hij rechtop gaat staan, zijn borst vooruitduwt en zijn armen breed langs zijn lichaam houdt. ‘Trots,’ weten de kinderen. Dan doet Vincent voor hoe hij in de eerste houding met een klein zetje omvergeduwd kan worden, terwijl hij in zijn trotse houding niet om te krijgen is. De kinderen gaan in tweetallen aan de slag. ‘Stel je voor dat je een ballonnetje bent, je hebt het gevoel dat je op wilt stijgen.’ Dan mag het ene kind het andere een zetje in de rug geven. De ander vliegt naar voren. Vervolgens moet iedereen stevig staan, de handen op de buik leggen en diep ademhalen.  ‘Je bent een oeroude boom,’ zegt Vincent. ‘Een grote zware eik. Voel je wortels stevig in de grond. Je stam wordt steeds dikker. Al word je gepest en zijn kinderen vervelend, je kunt de hele wereld aan. Niemand kan jou van je plek krijgen.’ Als de kinderen nu weer een duwtje krijgen, merken ze dat ze veel steviger staan.

Log in om verder te lezen.