Wie bijvoorbeeld altijd goed is behandeld door anderen zal eerder goede bedoelingen toeschrijven aan een persoon op een plaatje dan iemand die in zijn leven vaak is bedrogen of gekwetst. Een angstig persoon ziet eerder enge dingen in een figuur, en wie die dag toevallig heel vrolijk is, komt vaker uit bij lichte thema’s.

Het is nu eenmaal moeilijk om iets te verzinnen dat helemaal losstaat van onszelf. Daarom zijn debuutromans vaak sterk autobiografisch, en daarom zijn de eerste verhaallijnen waar we aan denken vaak verbonden met onze eigen verhaallijnen.

Dit gegeven inspireerde psychologen begin vorige eeuw tot het ontwikkelen van ‘projectieve tests’. Deze tests hebben met elkaar gemeen dat de opdracht aan degene die ze maakt heel vrij is, en dat de opdracht ‘ambigue stimuli’ bevat: materiaal dat je als proefpersoon op veel verschillende manieren kunt interpreteren.

Plaatjes bijvoorbeeld waarbij niet duidelijk is wat ze voorstellen of wat er aan de hand is, en waarbij de proefpersoon zelf iets mag bedenken. Of zinnen met een open einde die je moet afmaken, of vrije opdrachten zoals tekeningen. Zo komen vanzelf de verborgen verlangens en angsten van patiënten naar boven drijven, was het idee van de psychologen.

Het probleem is alleen dat het bijna onmogelijk is om een objectieve conclusie te trekken uit al die uiteenlopende verhalen, tekeningen en zinnen. Wat betekent het als iemand ruzie ziet in een plaatje van twee mensen?

Bij gestructureerde tests als intelligentietests en vragenlijsten kan degene die ze beoordeelt tenminste scores optellen en bekijken of die scores erg afwijken van het gemiddelde. Maar bij de brij aan informatie die vrijkomt uit projectieve tests is dat lastig. Er zijn duizenden antwoorden mogelijk, en die kunnen duiden op duizenden omstandigheden. Daarom valt er eigenlijk niet van een ‘test’ te spreken.

Maar de belangrijkste kritiek op projectieve technieken komt ironisch genoeg vooral voort uit de pogingen die psychologen en onderzoekers hebben gedaan om de tests meetbaar te maken.

Bij de rorschachtest, waarbij de proefpersoon moet aangeven wat hij ziet in symmetrische inktvlekken, is bijvoorbeeld een uitgebreide handleiding gemaakt. Daarin staan scores voor alle details die proefpersonen kunnen benoemen, inclusief de aanwijzing of dit duidt op een psychische stoornis. Maar deze normgegevens blijken behoorlijk te rammelen.

Toen onderzoekers bijvoorbeeld bij een grote groep gewone, psychisch gezonde proefpersonen de rorschachtest afnamen, bleek dat de meerderheid wel een of meerdere antwoorden had in de categorie ‘psychische stoornis’.

Ondanks deze kritiek horen projectieve tests toch tot de meest gebruikte in psychologisch onderzoek. De thematische apperceptie-test (tat) – plaatjes waarbij je een verhaal moet verzinnen – en de rorschachtest hebben zelfs een plaats in de toptien van meest afgenomen tests.

Want projectieve tests kunnen namelijk, los van rammelende normgegevens en scores, wel degelijk waardevolle informatie geven over wat iemand zoal bezighoudt. Vaak worden er dus geen harde scores en conclusies verbonden aan de verhalen en antwoorden van een cliënt, maar dienen ze eerder als aanknopingspunt voor een gesprek.

Valt er dan wel íets te zeggen over de betekenis van de verhalen en tekeningen? Zeker wel. Eigenlijk is de interpretatie van projectieve technieken het beste te vergelijken met de interpretatie van dromen.

Ook bij dromen kun je meer over jezelf te weten komen, omdat de dingen die je bezighouden er vaak in terugkomen, en omdat je gedachtepatronen en verwachtingen het verhaal sturen. En ook bij dromen heeft het weinig zin om details te duiden met een gestandaardiseerd droomwoordenboek. Want voor de een betekent een slang, luchtballon of muntstuk iets heel anders dan voor de ander.

Wat je na het maken van zo’n test wel kunt doen is bekijken wat het voor jou persoonlijk betekent. Hoe reageert je hoofdpersoon in het verhaal, en herken je daarin de manier waarop je zelf vaak reageert, of misschien hoe je ouders vroeger reageerden? Loopt het verhaal goed of slecht af, en herken je deze positieve of negatieve verwachtingen bij jezelf?

Komt er een thema naar voren in je verhalen en in de manier waarop je zinnen afmaakt, en zou dat een thema kunnen zijn dat je op dit moment erg bezighoudt? Zo kun je veel te weten komen over de manier waarop je denkt, en belangrijke thema’s in je leven ontdekken.