Onlangs werd een link gelegd tussen de band die we met onze ouders hadden als eenjarige dreumes, en de manier waarop we ruzies bijleggen met onze geliefde als twintiger. Jonge stelletjes kregen tien minuten de tijd om te discussiëren over een kwestie waarover ze het hartgrondig oneens waren, gevolgd door een afkoelmoment waarin ze konden praten over iets waar ze het wel over eens waren.

Wie als kind een goede band had met zijn ouders, kon die overgang beter maken en na een heftige discussie prima een vrolijk gesprekje voeren over een ander onderwerp, zo bleek. Maar wie een minder goede band met zijn ouders had als dreumes, bleef negentien jaar later vaak nog hangen in de discussiesfeer en had moeite om de overgang te maken naar luchtige praat.

Wanneer je ouders vroeger beter je negatieve emoties konden reguleren – en je dus ‘veilig gehecht’ raakte, in psychologentermen – kun je als volwassene zelf je emoties beter de baas na een conflict, concluderen de onderzoekers.

Het zijn kwesties die ons bezighouden: welke invloed hebben vroege ervaringen op de rest van ons leven? We zijn benieuwd als volwassenen die zichzelf willen begrijpen, maar ook als opvoeders die bang zijn om iets te ‘verpesten’. Kun je nog aan je lot ontsnappen als het eenmaal is misgegaan in je kindertijd? En als je nu te heftig reageert op lastig gedrag van je kind, wat houdt het er dan later aan over?

Verwachtingen ontwikkelen

Wat onthouden we van onze vroege jeugd? Vanaf onze geboorte, en tot op zekere hoogte al vóór onze geboorte, leren we van de dingen die we meemaken. Bij elke ervaring veranderen de verbindingen tussen neuronen, de bouwstenen van onze hersenen. Worden twee neuronen tegelijkertijd actief, dan ontstaat een verbinding tussen die twee.

In de eerste twee levensjaren komen er zo miljarden nieuwe verbindingen bij. Je ziet het gezicht van je moeder terwijl je gevoed wordt en boem, daar is een verbinding tussen je moeder en een fijn gevoel in je buik. Oma komt op bezoek en haalt uit haar tas een cadeautje: hoppa, een verbinding tussen oma, haar tas en cadeautjes. Je strekt je handje uit naar de kat die je vervolgens gemeen krabt, en ziedaar: een verbinding tussen de kat en een brandende pijn.

Die verbindingen zijn er niet voor niets. We gebruiken onze ervaringen uit het verleden om er de toekomst mee te kunnen voorspellen. Komt een gebeurtenis vaker voor, dan zien we er een patroon in, dat ons wellicht een volgende keer kan helpen. We leren bijvoorbeeld dat mama soms weg is, maar ook altijd weer terugkomt. En nadat we door de kat zijn gekrabd, kijken we de volgende keer wel uit om hem te aaien. Kinderen ontwikkelen hun verwachtingen razendsnel, zo blijkt; vaak al als ze twee keer een soortgelijke ervaring meemaken.

Impliciete geheugen

Als baby hebben we nog maar één soort geheugen, het impliciete geheugen, dat bestaat uit dit soort associaties tussen gebeurtenissen en hun uitwerking. Ook als volwassene houden we dit geheugen en slaan we er associaties en automatische handelingen in op. Het bijzondere aan dit geheugen is dat het helemaal buiten ons bewustzijn omgaat. Het is zonder woorden en werkt automatisch, dus zonder het bekende gevoel dat we een herinnering hebben.

Maar het heeft wel invloed op ons gedrag. Zo gedroegen peuters van 21 maanden zich anders bij speelgoed dat naar kamille rook, als hun moeders tijdens de borstvoedingsperiode een kamillezalfje hadden gebruikt tegen tepelkloven. Zonder te weten waarom hielden zulke peuters een knuffel met hetzelfde geurtje extra dicht tegen zich aan, en als ze de keuze kregen dronken ze het liefst uit waterflesjes die naar kamille roken.

Ook neigingen en voorkeuren in ons volwassen leven worden zo onbewust gestuurd door ervaringen uit het verleden. Uit onderzoek bleek bijvoorbeeld dat vrouwen die een sterke band hadden met hun vader, mannengezichten die op hun vader leken het aantrekkelijkst vonden, zonder dat ze zich bewust waren van de gelijkenis. Voor vrouwen die een slechte band hadden met hun vader, gold het effect niet.

Na het eerste jaar begint ons expliciete geheugen zich te ontwikkelen, en kunnen we ook bewust herinneringen uit ons geheugen ophalen. Van die brij van ervaringen maakt ons brein patronen van samenhang, ‘mentale modellen’ genoemd. We leren wat positieve gevolgen heeft en wat we juist beter niet kunnen doen, hoe veilig of gevaarlijk de wereld is, hoe mensen op ons reageren, en of we zelf invloed kunnen uitoefenen op onze omgeving. Deze modellen nemen we weer mee naar nieuwe ervaringen: we zien het heden zo door de bril van ons verleden.

Veilig gehecht

Zo hebben we ook mentale modellen voor relaties. De eerste ervaringen daarmee doen we op met onze ouders: een band die letterlijk van levensbelang is. Zonder ouders geen voeding, geen warmte, geen veiligheid. Baby’s zijn dus al jong gericht op alle aanwijzingen om hun gedrag te kunnen voorspellen: als ik naar mama lach, dan lacht zij terug. Als ik huil, dan krijg ik te drinken. Of, in een minder fortuinlijk geval: als ik huil, wordt mama geïrriteerd en maak ik de zaak alleen maar erger; beter maar niet doen dus.

Afhankelijk van het gedrag van onze ouders ontwikkelen we in ons eerste levensjaar zo een vorm van ‘gehechtheid’ aan onze ouders. Zijn onze ouders beschikbaar en reageren ze sensitief op ons, dan leren we dat we bij hen terechtkunnen voor troost, geborgenheid en veiligheid, en durven we op onderzoek uit te gaan in de grote wereld. We zijn dan ‘veilig gehecht’, iets wat zo’n tweederde van alle kinderen is.

Wanneer onze ouders niet goed ingaan op onze signalen, dan raken we ‘onveilig gehecht’, en ontwikkelen we noodgedwongen strategieën om toch een relatie met hen te hebben. We leren bijvoorbeeld om onze behoeften en emoties in te slikken, of gedragen ons claimend in een poging om aandacht en zorg af te dwingen. Deze modellen en strategieën nemen we vervolgens mee naar andere relaties. Zo dragen we vroege, onbewuste relatiepatronen met ons mee.

Welke invloed heeft de relatie met onze ouders precies op onze latere relaties? Veilig gehechte kinderen hebben gemiddeld betere sociale vaardigheden en vriendschappen, meer empathie, en ze doen het beter op school, blijkt uit onderzoek. Onveilig gehechte kinderen hebben meer kans op gedragsproblemen en problemen in de omgang met anderen. In studies waar kinderen lang werden gevolgd, werden tot in de puberteit verbanden gevonden tussen hun sociale functioneren en hun gehechtheid toen ze één jaar waren.

Als patronen eenmaal zijn ontstaan, is het moeilijk om er weer uit te komen. Wie bijvoorbeeld de verwachting heeft dat anderen vijandig zijn, zal hen minder open benaderen en sneller in de verdediging schieten. Daardoor zullen anderen hem inderdaad minder snel sympathiek vinden, wat de kans groter maakt dat ze hem minder vriendelijk behandelen, wat zijn idee dat anderen vijandig zijn weer bevestigt.

Wel of niet aan de drank raken?

Goed, onze jeugdervaringen hebben dus invloed op de rest van ons leven. We worden gevormd door de dingen die we meemaken, ontwikkelen verwachtingen waarmee we de toekomst voorspellen, en dragen ingesleten patronen met ons mee.

Toch is die invloed relatief, en kunnen we niet zomaar alles aan onze jeugdervaringen ophangen. Ten eerste spelen onze genen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de persoon die we worden. Bij onze geboorte ligt een groot gedeelte van onze aanleg al vast. Hoe graag we in het middelpunt staan bijvoorbeeld, hoe gevoelig we zijn voor stress, of we geneigd zijn depressief te worden en of we gevoelig zijn voor alcoholverslaving: het heeft allemaal een genetische component.

Hoe we ons ontwikkelen is vervolgens een – ingewikkeld – samenspel van genen en ervaringen. Je kunt bijvoorbeeld een genetische aanleg hebben voor een alcoholverslaving, maar dankzij een beschermde jeugd en een stabiele omgeving nooit aandrang voelen om naar de fles te grijpen.

Andersom kan iemand die geen genetische gevoeligheid voor alcohol heeft toch zwaar aan de drank raken onder invloed van een omgeving vol drankorgels, of nadat zijn huwelijk op de klippen is gelopen. En zo kan een scheiding bij het ene kind tot weinig problemen leiden, terwijl het er bij een ander kind dat van nature stressgevoelig is, hard inhakt. De ene persoon kan dus veel meer overhouden aan een nare jeugd dan de andere, ook al zijn de gebeurtenissen hetzelfde.

Een tweede belangrijke nuancering is dat we ons hele leven dingen blijven meemaken, die onze kijk op de wereld kunnen bijsturen. Ook al heb je bijvoorbeeld als kind meegekregen dat je weinig kunt, met een paar succeservaringen kun je je al een stuk zekerder voelen. Onzekerheidsgevoelens, relatieproblemen, kattenfobieën, angst om te spreken in het openbaar, we kunnen er allemaal aan werken – en meestal met succes.

Bijstellen is mogelijk

Ook onze gehechtheid staat niet vast voor de rest van ons leven, maar kan heel goed veranderen door nieuwe ervaringen en nieuwe relaties. Ongeveer 30 procent van de mensen bereikt zo een veiligere gehechtheid, blijkt uit onderzoek. Rien van IJzendoorn, hoogleraar pedagogiek in Leiden: ‘Een goede gehechtheid een jaar na de geboorte is een goede start, maar kan ook na de vroege kindertijd nog beïnvloed worden, ten goede en ten kwade.’

‘Bij een lichtere vorm van onveilige gehechtheid kan een goede relatie met een leerkracht, vriend, vriendin of partner herstel geven; zoals een mooie studie van de Amerikaanse onderzoeker Alan Sroufe heeft laten zien, waarbij kinderen vanaf hun geboorte tot in de volwassenheid werden gevolgd.’

Die kans op herstel kwam ook naar voren uit het onderzoek aan het begin van dit artikel – overigens van dezelfde onderzoeksgroep – waarbij stelletjes het goedmaakten na een felle discussie. Wie onveilig gehecht was als kind en dus moeite had met het goedmaken, profiteerde van een partner die daar wel goed in was. Andersom kun je ook minder rooskleurige verwachtingen van relaties ontwikkelen wanneer je een paar keer flink wordt teleurgesteld in de liefde.

Vertrouwen op je ouders

We moeten bovendien niet uit het oog verliezen dat gebeurtenissen uit onze jeugd vooral belangrijk zijn op het moment zelf. De pijn van de scheiding van je ouders is het grootst wanneer je er middenin zit. Recent onderzoek wees bijvoorbeeld uit dat kinderen van gescheiden ouders een drie keer zo grote kans hebben op een strafblad als kinderen uit een volledig gezin. Maar dat effect geldt vooral in de eerste jaren na de scheiding, daarna wordt de kans op een delict alweer kleiner.

En ook al richt veel onderzoek zich op de latere gevolgen van gehechtheid, ook dat is vooral belangrijk in het hier en nu, en niet als investering van ouders in de toekomst van hun kind, zegt Van IJzendoorn. ‘Voor een kind is het gewoon fijner om veilig gehecht te zijn. Een veilig gehecht kind is minder vaak gespannen en vertrouwt meer op zijn ouders.’

‘Dat maakt het verkennen van de onbekende wereld vanuit een beschermde omgeving mogelijk. In een onderzoek lieten we zevenjarigen bijvoorbeeld kijken naar spannende videofilmpjes, en intussen registreerden we hun huidgeleiding, een lichamelijke aanwijzing voor spanning. Kinderen met een veilige gehechtheid konden de spanning beter aan, en dat was juist het geval bij kinderen met een prikkelbaar temperament, die van nature sneller gestrest zijn. In een stressvolle situatie kan gehechtheid dus zelfs een buffer vormen voor de invloed van je temperament.’

Roemeense weeskinderen

Zijn er jeugdervaringen die altijd hun sporen nalaten in de rest van ons leven? Van sommige belevenissen zijn alle deskundigen het erover eens dat ze langetermijneffecten kunnen hebben. ‘Extreme ervaringen in de kindertijd kunnen doorwerken tot in de volwassenheid,’ zegt Van IJzendoorn. ‘Mensen die als kind beide ouders verloren in de Holocaust hebben daar bijvoorbeeld meer dan een halve eeuw later nog steeds last van. Dat gaat echt tot op het bot. We vinden bij hen hogere concentraties van het stresshormoon cortisol dan bij hun leeftijdgenoten.’

Ook ervaringen met kindermishandeling hakken er stevig in, niet alleen seksuele maar ook lichamelijke en emotionele mishandeling. Van IJzendoorn: ‘Voor een jong kind zijn de ouders de enige personen op wie ze kunnen terugvallen, en tegelijkertijd ervaren ze diezelfde ouders als een bedreiging. Die paradox is moeilijk te verwerken.’

Deze ervaringen dringen zelfs door tot in onze genen, ontdekte Van IJzendoorn met zijn collega’s Bakermans-Kranenburg en Caspers. ‘Er is lang gedacht dat ons dna volledig vaststaat bij de conceptie. Dat klopt ook wel voor de basisstructuur ervan. Maar de expressie van genen, dus de werking ervan, kan wel veranderen onder invloed van ervaringen na de geboorte.’

Zo bleek dat mensen die in hun jeugd zijn mishandeld, een veranderde werking hebben van genen die invloed hebben op geheugen, emoties en de gevoeligheid voor depressie.

Over het algemeen geldt: hoe vroeger in je leven je traumatische ervaringen meemaakt en hoe langer ze aanhouden, hoe erger de gevolgen. Hoe langer kinderen bijvoorbeeld in de beruchte Roemeense weeshuizen hadden gezeten, hoe erger ze eraan toe waren.

De bitterheid voorbij

Toch is ook hier verandering mogelijk, al zullen de gevolgen misschien nooit helemaal kunnen worden teruggedraaid. Een fijn adoptiegezin of pleeggezin met sensitieve ouders kan bijvoorbeeld veel goed doen voor getraumatiseerde kinderen. De Roemeense weeskinderen deden het verrassend goed in hun nieuwe adoptiegezinnen, hoewel er wel een grens was aan het mogelijke.

En ook zonder ingrijpende maatregelen zoals adoptie en pleeggezinnen zijn er mogelijkheden om de koers te wijzigen. Een goede band met een leraar bijvoorbeeld, een betere financiële situatie voor het gezin, een stabiele en aardige stiefvader met wie je moeder hertrouwt, de overgang naar een goede school, of therapie.

In hoeverre kunnen we onze problemen dan toeschrijven aan een slechte jeugd? ‘Er zijn buitengewoon veel mensen depressief of angstig,’ zegt Van IJzendoorn. ‘Als je in je kinderjaren iets vreselijks hebt meegemaakt, dan ligt het voor de hand om daaraan de oorzaak van de depressie of angst toe te schrijven. Maar die veronderstelling kan ook onjuist of in elk geval onvolledig zijn. Of je een depressie krijgt, is bijvoorbeeld ook mede afhankelijk van je genen.’

Het risico bestaat dat we blijven hangen in onze bitterheid om het verleden. Maar we hoeven geen gevangene te zijn van nare gebeurtenissen van vroeger. ‘Vroege ervaringen zijn heel belangrijk,’ zegt Van IJzendoorn, ‘maar daarmee zijn latere ervaringen nog niet onbelangrijk. Het leven en de opvoeding houden niet op bij 5 of 10 jaar. We kunnen dus- helaas – niet op onze lauweren rusten als onze kinderen op die leeftijd gelukkig zijn; maar we hoeven ook niet bij de pakken neer te zitten als ze op jonge leeftijd iets naars hebben meegemaakt of vaak angstig en gespannen zijn. Er kunnen rampzalige dingen gebeuren in een kinderleven, maar er is meer dan de kindertijd.’

Meer lezen over de veerkracht van kinderen?
M.H. van IJzendoorn, Opvoeding over de grens. Gehechtheid, trauma en veerkracht, Boom, € 32,-

‘Op mijn derde had ik al een basisangst voor mijn vader’

Marcel Bos (51) werd psychisch en lichamelijk mishandeld door zijn vader.

‘Mijn vader was een talentvol pianist en sfeermaker op de Holland Amerika Lijn. Daardoor was hij vaak lange tijd weg en dronk hij veel. Naar de buitenwereld was hij uiterst charmant, maar voor ons was hij de hel op aarde.

Hij was onvoorspelbaar. Met zijn charmantste lach kon hij je iets vragen, maar als het antwoord niet goed was kon hij met dezelfde lach keihard naar je uithalen. Ik weet nog dat ik een keer per ongeluk zijn koffie omstootte en zwaar mishandeld werd. Hij sloeg en schopte me in een hoek. Mijn broer, die geestelijk gehandicapt is, ging gillen en kreeg ook slaag. Toen ik 3, 4 jaar was had ik een basisangst ontwikkeld voor mijn vader. Nog steeds als ik het woord “vader” hoor, gaat mijn hart tekeer.

Mijn ouders gingen scheiden, en ik had weinig contact meer met hem. Maar bij alles wat ik deed, zat hij als een raaf op mijn schouder: “Dat kun jij toch niet.” Ik was onzeker, vermeed moeilijke dingen.

Totdat hij een paar jaar terug overleed. Het gras werd op slag groener, de lucht blauwer, alles viel van me af. Ik bleek dingen te kunnen die ik altijd al wilde, maar waarvoor ik eerder te onzeker was. Ik ontdekte dat ik talenten heb: ik kan pianospelen, schrijven. Als ik nu iets rottigs moet doen, stap ik er lachend op af. Als je dit overleeft, wat kan je dan nog bang maken?

Ook de woede is nu weg. Na zijn dood heb ik alles nog één keer bewust herbeleefd en heb dat opgeschreven in een boek. Binnen drie weken was het klaar, alsof er een kant-en-klaar script in mijn hoofd zat. Zo heb ik mijn moeilijke jeugd symbolisch opgeruimd en in een lade gestopt – daar ligt het boek nu ook.’

– Marcel Bos, De hand van mijn vader, uitgeverij Mijn Eigen Boek, € 14,90

‘Ik vind het nog steeds heel eng om op te vallen’

Dorien Zuidland (35) werd als kind veel gepest op school.

‘Ik woonde in een klein dorp, waar wij import waren. Dat viel op: we waren anders, we hadden paarden, en ik had een heupafwijking waardoor ik anders liep. Op het schoolplein scholden ze me uit, soms sloegen en stompten ze. Of er stonden kinderen op onze oprit nare dingen te roepen. Ik had gelukkig wel wat vriendinnetjes, die overigens zelf ook buitenbeentjes waren. Na de basisschool ben ik expres naar een middelbare school gegaan waar geen klasgenoten naartoe gingen. Toch was ik ook daar weer een pispaaltje en buitenbeentje.

Ik heb nu een fijn gezin en lieve vrienden, maar ik blijf worstelen met een diepgeworteld gebrek aan zelfvertrouwen. Ik heb bijvoorbeeld een hekel aan wedstrijdjes en spelletjes: als ik verlies, dan voelt dat als een extra bewijs dat ik niet goed genoeg ben. Mijn man doet er alles aan om me te laten geloven dat ik het waard ben, en toch blijft dat heel moeilijk te geloven. Ik kan wel beredeneren dat ik waardevol ben, maar het voelt nog steeds niet zo.

Ook nu ik mijn eigen bedrijf heb, is mijn onzekerheid een grote handicap. Je moet jezelf dan laten zien, terwijl ik het juist heel eng vind om op te vallen. Ik heb heel leuke plannen, maar ik dúrf ze gewoon niet uit te voeren. Mijn grote angst is bijvoorbeeld dat ik een workshop organiseer en de deelnemers mijn verhaal niet interessant genoeg vinden, of het de moeite van het komen niet waard vinden – oftewel: míj niet de moeite waard vinden.

Af en toe neem ik een klein stapje, dwing ik mezelf uit mijn comfort zone. Laatst heb ik bijvoorbeeld een demonstratie gegeven waar ik positieve reacties op kreeg. Ik doe zoiets wel met buikpijn. Maar elke keer wanneer ik merk dat ik zoiets overleef, krijg ik er een beetje zelfvertrouwen bij.’