Met ons therapeuten is vaak iets mis. Psychiaters en psychologen lopen een gerede kans op burn-out, verslaving, suïcidale depressie en relatieproblemen. Meer dan andere beroepsgroepen in de zorg moeten therapeuten waken voor grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van cliënten. En we raken snel secundair getraumatiseerd, doordat we de hele week luisteren naar heftige verhalen. Het is bijna een wonder als er bij een therapeut niets ‘tussen de oren’ zit.

Abnormaal is heel gewoon

Lees verder

Misschien dat daardoor veel problemen van onze cliënten zo herkenbaar zijn. Iedere therapeut kent het gevoel: ‘Hé, dat heb ik ook!’ Het is soms alsof de duivel ermee speelt. Net als je ruzie hebt gehad met je vrouw over de kinderen, vertellen cliënten dat ze het niet eens kunnen worden over de opvoeding. Als je op vrijdagavond om zeven uur weer eens een extra sessie hebt ingelast omdat een klant erg omhoog zit, blijkt ze overspannen door een te hoge werkdruk. En wie in dit vak kent niet die cliënt die elke maandag om negen uur ’s morgens komt vertellen dat hij bezwijkt onder de sleur van alledag?

Je hebt ook therapeuten, zoals ik, die schrijven over hun eigen relatieproblemen en daar vervolgens samen met hun vrouw een interview over geven in de krant. Zulke therapeuten, heb ik gehoord, krijgen nog jaren daarna cliënten op bezoek die zeggen: ‘Ik heb dat interview gelezen en weet je wat jullie probleem is…?’

Eigen schuld natuurlijk. Maar de kwestie is: soms raken deze cliënten een snaar. En wie is er dan de therapeut?

‘Jij bent een boos mannetje, heb ik gelezen,’ zegt John. Hij kijkt me doordringend aan door zijn paarse brillenglazen. ‘Daar heeft dat arme vrouwtje van je best onder geleden.’ Zijn stem klinkt lijzig, bijna treiterig.

‘Je hebt zeker ook gelezen dat het weer goed is gekomen?’ verdedig ik. John slaat er geen acht op.

Training

Goed zoals je bent

  • Leer jezelf accepteren
  • Omarm je imperfecties
  • Met boek van Brené Brown
Bekijk de training
Nu maar
€ 95,-

‘Het is je vader,’ zegt hij. ‘Luister goed. Je moet niet boos worden op je vrouw, maar op je vader. Die heeft je leven verpest.’
Ik denk aan mijn vader, psychotherapeut in ruste. Vorige week was ik nog bij hem om zijn nieuwe, elektrische fiets te bewonderen. Ben ik boos op hem?

‘Je kunt niet eeuwig je ouders de schuld blijven geven, John.’

‘Jij wel,’ werpt hij tegen. ‘Zeg eens, wat heeft die man je aangedaan?’

Niets! wil ik uitroepen, maar om John te plezieren denk ik eerst hardop na. ‘Mijn vader was vaak laat aan het werk, had relatieproblemen met m’n moeder en is van haar gescheiden, dronk bij vlagen een tikje te veel alcohol, werd lid van de Bhagwan…’

‘Dat is het!’ roept John. ‘Je vader heeft je in de steek gelaten. Twee keer! Na de scheiding, en vanwege die figuur… hoe heet ’ie?’

‘Bhagwan.’

John laat mijn blik los en schraapt de keel. ‘Mooi. Opgelost. Kunnen we het dan nu eindelijk over mijn vader hebben?’