‘Ik zou die man best onder de trein kunnen duwen.’ Hoe vaak denkt u zoiets bizars? 779 bezoekers van psychologiemagazine.nl ­reageerden op deze poll. Van hen antwoordde:

  • nooit 5%
  • soms 68%
  • vaak 27%

Dat betekent dat 95 procent van de lezers van Psychologie Magazine weleens intrusies heeft, zoals dit soort gedachten wordt genoemd. Intrusies zijn een akelig verschijnsel. Ze dringen zich op ongewenste momenten op, laten zich moeilijk ‘wegdenken’, en leveren een negatief gevoel op. Want waarom zou je in vredesnaam denken dat het huis in brand staat, dat je de baby van de trap kunt gooien of zelf van een balkon kunt springen?

Maar uit het hoge percentage in deze poll blijkt ook: intrusies zijn heel gangbaar. Dat bevestigt wereldwijd onderzoek nu. Van de 777 deelnemers uit 13 landen bleek 94 procent intrusies te hebben. Eigenlijk worden ze pas problematisch op het moment dat de eigenaar van de gedachte meent deze te moeten onderdrukken of tegengaan, zegt de Canadese onderzoeker Adam Radomsky.

En dat is precies wat mensen met een obsessief-compulsieve stoornis, OCS, doen: intrusies problematiseren. Weliswaar hebben ze vaker intrusies en raken ze er meer van overstuur, maar, zegt Radomsky: ‘Verder verschillen mensen met OCS nauwelijks van anderen.’

Daarop moet therapie zich richten, zegt hij: niet op het wegnemen van de gedachten, maar op het besef dat ze heel gewoon zijn en niet serieus genomen hoeven te worden.

They scare because we care, tweede van drie publicaties over dit onderzoek, Journal of Obsessive-Compulsive and Related Disorders, nog te verschijnen